Preek op Nieuwjaarsdag, H. Maria, Moeder van God

Vrijdag 1 januari, jaar B
Door: abt Denis Hendrickx o.praem.
Lezingen: Numeri 6,22-27; Galaten 4,4-7; Lucas 2,16-21

We sluiten 2020 af, het is nog maar enkele uren geleden, maar we kunnen wel al vaststellen dat het een enerverend jaar is geweest. We verwelkomen een nieuw jaar. Wat zal 2021 brengen? Hopelijk krijgen we het coronavirus er samen onder. Maar krijgen we ook de ‘virussen’ van polarisatie, racisme en haat onder de duim? Hoe sterk is de democratische rechtsstaat wereldwijd en in Nederland? En hoe klinken de hoopvolle verhalen die inspiratie kunnen bieden en bijdragen aan verandering? Het belang van een zoektocht naar een Nieuw Wij wordt sterker. Het verbinden van verschillen wordt alleen maar urgenter. Niet alleen huidskleur, ook culturele en religieuze identiteit worden gebruikt als grond voor discriminatie en uitsluiting. Vormen van zelfgenoegzaamheid groeien en ook vooroordelen blijken hardnekkig.

In zijn kerstboodschap stond koning Willem Alexander op 25 december ook nadrukkelijk stil bij deze actualiteit. Hij hield ons voor: ‘scherpe debatten over uitgesproken opvattingen of radicale ideeën horen bij een vrije samenleving. Ze zijn nodig en brengen ons verder. Wie houvast zoekt in die opvattingen of ideeën, mag niet worden buitengesloten. Maar het kenmerk van een vrije samenleving is nu juist dat er óók ruimte is voor nuance. Voor redelijkheid en mildheid. Voor nieuwsgierigheid en onderzoek. Voor ironie en zelfrelativering – altijd het beste medicijn bij een opgekropt gevoel. En voor vergeving. Een bijna ouderwets begrip, dat in de bijbel regelmatig een grote rol speelt. En dat juist in deze tijd onverminderd heilzaam kan zijn ‘. (Tot zover woorden van onze koning).

Nadat we kerstmis dit jaar anders dan we gewend waren hebben moeten vieren, geldt dat ook voor de jaarwisseling. We zijn vannacht aan een nieuw jaar begonnen. Eigenlijk is zo’n wisseling een onmerkbare, niet bijzondere overgang. Vóór twaalf uur en erna zijn we niet echt anders, en de wereld om ons heen al evenmin. De seconden, minuten, uren tikken net zo onverstoorbaar door als altijd. Het enige verschil is: een ander jaartal. En natuurlijk zijn er kleine verschilpunten. Van vuurwerk was dit jaar veel minder sprake (moeten we daar trouwens rauwig om zijn). Het lawaai kwam dit keer van kerkklokken die op uitdrukkelijk verzoek het nieuwe jaar inluidden. Het virus tiert nog volop en de Brexit is officieel van kracht. We wachten op een rust en gezond gevend vaccin en volgelingen van Norbertus hopen nog een beetje in de gelegenheid te zijn om dit jaar het 9e eeuwfeest ook in de openbaarheid te kunnen vieren.

In het evangelie van vandaag krijgt het kind van Kerstmis een naam van Jezus: God redt. Dat kind zal later inderdaad in zijn doen en laten, in zijn woorden en keuzen laten zien dat God er is in en tussen ons mensen. Er is heil midden in ons leven, ook als dat getekend wordt door pech, mislukking, ziekte of dood. En het voelt Goed als je weet dat er iemand is die je zorgen en vreugden deelt. In het dagelijks leven zeggen we niet voor niets dat zo iemand een engel is. We kunnen ook zeggen dat iemand een ‘zegen’ is. Zegenen mogen we de betekenis geven van iets goeds zeggen van iemand. We vinden het een zegen als mensen goed over ons spreken. Het is bemoedigend, we worden erdoor tot leven geroepen. De zegen die vandaag in de eerste lezing met woorden van het boek Numeri wordt uitgesproken zorgt voor voorspoed en kracht. Een zegen die toekomst mogelijk maakt en die ons verbindt met alle generaties van mensen voor ons en die allen die na ons komen eveneens zegent. Met zo’n zegen klinkt de oproep om de armen om het nieuwe jaar te slaan. Ze zouden misschien een goed motto kunnen zijn, een dringend verzoek aan ieder van ons: laat dit jaar met alles wat het brengen kan aan lief en leed, aan vreugde en pijn, op je toekomen, houdt het niet af, omhels het nieuwe jaar (en dan wel met de nodige afstand). Bewaar het in je hart. Dat bijzondere motto zou ook ons gebed kunnen zijn tot God: ‘Wil om dit nieuwe jaar 2021 uw armen slaan’. Alsjeblieft God, behoed dit jaar, behoed ons in dit jaar, opdat we niet verloren lopen en ons vertrouwen niet verliezen, omdat we niet doelloos en onvindbaar worden voor elkaar en voor U.

Een nieuw jaar openen nodigt ons uit vooruit te kijken met alle onzekerheden van dien en velen kijken dan ook met zorg en angst naar morgen. De pandemiecrisis confronteert velen met grote onzekerheid omtrent eigen gezondheid en die van hun dierbaren, over dreigende groeiende werkloosheid en economische neergang. Ook het openbare kerkelijk leven dreigt zware verliezen te moeten incasseren. Velen leven in vertwijfeling en wanhoop. En op het wereldtoneel baren de twisten die uitgevochten worden en de voortdurende opwarming van de aarde steeds grotere zorgen.

Terugkerend naar de eerste lezing van deze morgen staan we weer stil bij het zegengebed. Als wij Gods naam uitspreken over elkaar, over kinderen en geliefden, over medebroeders, medezusters en participanten, over jonge mensen en over doden, zal God die mensen zegenen. En zegenen kent als rijke inhoud dat ons leven niet te verwaarlozen is, dat we geloven dat we gewenst zijn, dat we kostbaar zijn in Gods ogen.

Dat is ook wat die herders ontdekt hebben waarover het evangelie ons verhaalde. Hoe, weet ik niet, maar er staat dat ze God loofden en prezen om alles wat ze gezien en gehoord hadden. Dat is ons geloof: dat wij in geboorte en dood, in liefde en pijn, weten dat we meetellen, dat iedere mens er toe doet, dat God zich laat herkennen in alles wat ons overkomt, zo worden wij gezegende mensen en dat is niet niks. Het oude jaar met al zijn zegeningen en tragiek laten we achter ons. We bewaren net als Maria al het goede in ons hart, en net als de herders bedanken wij God. Er is een nieuw jaar waarin wij elkaar en God weer hard nodig hebben. Maak het goed voor wat u zelf betreft en gun het goede aan de ander.