Preek op het Hoogfeest van Openbaring des Heren

Zondag 3 januari 2021, jaar B
Door: Titus de Kemp o.praem.
Lezingen: Jesaja 60,1-6; Efeziërs 3,2-3a.5-6; Matteüs 2,1-12

Jesaja uit de eerste lezing: in mijn verbeelding zie ik hem door Jeruzalem dwalen, pak weg rond het jaar 530 voor Christus. De stad ligt nog voor een groot deel in puin sinds de verwoestende inval van de Chaldeeën een stel jaren geleden. En onverwachts, zoals hem wel meer overkomt, overvalt hem de droom van het nieuwe Jeruzalem: een schitterend visioen, Gods stralend licht over zijn stad. Van alle kanten trekken stromen pelgrims ernaar toe, uit Midjan, Efa, Sjeba, enz. De stad een en al vreugde om de ervaring van dat goddelijk licht.

Die droom is blijven leven. Zes eeuwen later pikt Paulus die op, in de tweede lezing. Jeruzalem nu getransformeerd in de persoon van Jezus Christus. Die is nu dat stralende licht, dat alle mensen naar zich toetrekt van over heel de wereld. Grootse visie, die ook Paulus als een visioen is overvallen, zoals indertijd Jesaja.

Dat visioen moet ook Matteüs vervuld hebben. Hij kleedt dat op zijn manier in, in de vorm van een verhaal, zoals hij dat had horen vertellen.  Het verhaal van het evangelie vandaag. Over wijzen uit het oosten, hoe die op zoek waren naar…ja naar wat eigenlijk?… Naar een pas geboren kind. Na veel strubbelingen vinden ze het eindelijk, halen hun geschenken te voorschijn en aanbidden het. En keren dan langs een andere weg terug. Dat stralend licht van Jesaja, dat visioen van Paulus, het is verborgen in deze zoon van Maria. Dat is het wat Matteüs eigenlijk met zijn verhaal wil zeggen.

Dit verhaal over die wijzen uit het oosten, zeg maar de Driekoningen, willen wij ieder jaar opnieuw horen. We plaatsen ze soms in een kerststal, compleet met een kameel erbij. En soms herkennen wij er ergens trekken in van ons eigen leven. Iets als een ster heeft ook ons een weg gewezen. Eigenlijk veel sterren: die van onze ouders, de leerkrachten, de herders in onze parochie, de gemeenschap van de Kerk. Allemaal hebben ze ons een stukje weg gewezen om de richting in ons leven te vinden. Ze hebben ons de weg gewezen naar de Zoon van Maria, naar Jezus. En op onze beurt zijn wij vanmorgen op stap gegaan, hebben de deur van onze woning, ons appartement, onze kamer, gesloten om hier samen te komen, om deze Mensenzoon te aanbidden, Hem onze hulde te brengen. Of u hebt de tijd genomen om via het tv-scherm met ons hier verbonden te zijn. Hem op onze manier onze geschenken aan te bieden van ons geloof, ons vertrouwen in Hem. En nu en dan even momenten van aanbidding en stilte. Dan kan het van binnen in ons heel rustig worden. Dan merken we dat ons diepste verlangen vervuld is, dat we eindelijk gevonden hebben waar we levenslang naar op zoek zijn, naar Hem voor wie je mag zijn zoals je bent, die al je krachten bindt en naar zich toetrekt, voor Wie je mag knielen, deze zoon van Maria, Jezus. Zeldzame momenten die je soms overkomen. Die wijzen uit het Oosten gingen langs een andere weg terug. Ik vertaal: ze keerden anders terug dan toen ze gekomen waren. Zo ook wij vanmorgen. Na afloop gaan wij anders naar huis dan toen we hier kwamen. Merk je daar ook iets van? Nou, nee, niet direct. Maar je mag het wel geloven en dat maakt toch verschil.