Preek bij de Uitvaart van Thijs Moons o.praem.
Woensdag 6 mei 2020
Door: abt Denis Hendrickx o.praem.
INLEIDING:
Toen Thijs nu ruim twee weken geleden positief getest werd op het coronavirus groeide bij velen het bewustzijn dat deze aandoening wel eens de genadeslag zou kunnen zijn. En inderdaad enkele dagen later op dinsdag 28 april moest de verpleging van Laverhof laten weten dat Thijs z’n conditie snel achteruit ging . Het naderend einde zou niet lang meer op zich doen wachten. Wat velen in de afgelopen weken aan den lijven moesten ervaren werd nu ook ons deel. Een dierbare beleeft zijn laatste uren in eenzaamheid, zonder familieleden of medebroeders direct in de buurt. De mensen van de zorg hebben er alles aan gedaan om in die laatste levensmomenten nabij te zijn, maar wat hadden we het graag anders gezien en ervaren. En als dan het moment van de laatste adem daar is maken protocollen omwille van veiligheid en gezondheid begrijpelijk de dienst uit. Een dood lichaam – direct aan het oog onttrokken en neergelegd in een afgesloten kist – wacht op het moment van afscheid en een laatste rustplaats op de dodenakker.
En ook het moment van afscheid nemen is heel anders dan we gewend zijn. We konden hem niet opbaren in onze kapittelzaal – de ruimte waar Norbertijns begin en Norbertijns einde in de regel plaatsvinden. Slechts in zeer beperkte kring kunnen we de dienst van het afscheid verzorgen. Via de voordeur is Thijs op 17 september 1950 de abdij binnengekomen. Vandaag hebben we Thijs door diezelfde voordeur opnieuw laten binnenkomen, even thuis waar zijn religieuze leven begon. Op de kleine groep Norbertijnen rust de opdracht de dienst van het afscheid te verzorgen. Zijn dode lichaam is in de kring geplaatst. Bij zijn dode lichaam brandt de paaskaars. Het licht van de verrijzenis. Daarin geloofde Thijs nadrukkelijk, van zo’n geloof getuigde hij voortdurend en daartoe riep hij op.
Zoals Thijs vuur van licht en warmte heeft verspreid op de verschillende plaatsen van zijn pastoraat zo omgeven wij zijn dode lichaam nu zijn levenslicht onder ons gedoofd is. Ik wil medebroeder Jan, die hem in de afgelopen jaren zo trouw heeft bezocht , uitnodigen de kaarsen aan te steken.
OVERWEGING:
Beste medebroeders en u- beste mensen via de techniek met de abdij verbonden- .
Tussen het moment van het overlijden van Thijs op donderdag 30 april en het moment van nu , het moment van afscheid nemen telde het samenleven allerlei speciale momenten. We herdachten de doden op 4 mei en stonden stil bij 75 jaar bevrijding gisteren 5 mei. We openden de maand mei, speciaal toegewijd aan Maria en het was afgelopen zondag een speciale dag waar geroepen zijn en geroepen worden centraal stond. Toen ik de schriftlezing van die zondag tot me liet doordringen werd het mij direct duidelijk dat ik die woorden graag zou willen gaan gebruiken bij het afscheid van Thijs.
We hebben ze zojuist gelezen met het beeld van de herder als centraal gegeven. De zorg voor velen gaat hierin samen met de bereidheid nagenoeg alles te geven, de weg te gaan ten einde toe. De herder is een beeld voor iemand die hart heeft voor anderen, die anderen wil behoeden en beschermen, die waakt tegen nachtelijk gevaar en voorgaat om voedsel, grazige weiden te vinden. De evangelist Johannes gebruikt in deze tekst ook het beeld van de deur van de schaapsstal. Deze is tegelijk bescherming tegen bedreigingen en toegang tot leven. Een goede herder werkt niet voor zijn eigen belang ten koste van de schapen. Hij waakt over de schapen, behoedt hen tegen dieven en rovers. Maar daarmee riskeert de herder, Jezus, volgens Johannes zijn eigen leven. ‘Een goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen ‘. Er wordt op geen enkele wijze een kuddegeest bevorderd. De herder roept de schapen bij hun naam. Voor Johannes is het ook van belang dat hij hen uit de omheinde stal naar buiten leidt, de wereld in. De herder daagt volgelingen uit om hun eigen veilige plaats te verlaten en naar anderen toe te gaan. Want ook voor hen is er ruimte en voedsel te vinden. De woorden van de eerste lezing – Psalm 23 – sluiten hierbij goed aan. Uit de psalmtekst spreekt warmte en hartelijkheid en er wordt uitdrukkelijk gedoeld op God als herder. Gebedswoorden welke waarschijnlijk door Thijs nogal eens gebruikt zijn in zijn actieve pastorale leven bij ziekenzalving, bij momenten van afscheid en afronding van het leven. Van een goede herder is bekend dat hij niet alleen zijn stem gebruikt, maar ook zijn handen, zijn verstand en zijn hart. Alleen in echte toewijding en zorg voor elkaar laten zien wie de goede herder is. Zijn kerk, zijn geloofsgemeenschap zijn een levend aandenken aan hem. Daarom dat voortdurend geldt om bij elkaar te komen, om steeds weer zijn evangelie te horen, om erover te praten en na te denken, om samen te bidden.
Thijs op dit moment , bij het vieren van zijn afscheid naar voren halen, is hem vooral in herinnering roepen als pastor van en tussen mensen, die zich de verworvenheden van Vaticanum II had eigen gemaakt en daarmee zijn pastoraat kleurde. Hij probeerde op zijn eigen wijze zijn herder-zijn invulling te geven. Voor hem was de deur van de kerk geen vergrendelde deur, maar een open deur waar iedereen wordt geteld, een plek waar men de oren spitst om te luisteren naar het woord van de herder die de weg wijst naar de binnen kant, de motor van ons hart en die ons vervolgens weer naar buiten begeleidt om daar elkaar van harte te hoeden met groot respect voor ieders waardigheid. De herder stuurt je naar buiten om te zorgen dat mensen niet in de verdrukking komen, dat ze niet langer honger hebben of dorst. De begrippen deur en groene weidegrond zijn voor Thijs erg belangrijk geweest in zijn dagelijkse pastoraat. Kerk-zijn was voor Thijs inspiratie zoeken bij de bron om vandaar de wereld in te gaan. Tijd nemen voor bezinning en tijd om ons in te zetten zodat niemand iets tekort komt. Voortdurend bedenken dat het belangrijk is wat er aan de binnenkant van de deur gebeurt en dat het net zo belangrijk is wat er aan de buitenkant gebeurt.
De ruimtelijke accommodatie waar je naar binnen en naar buiten kunt gaan is voor Thijs ook letterlijk van grote betekenis geweest. In Vlijmen weten ze daar alles van. Toen hij na een aantal jaren als kapelaan samen had gewerkt met Pastoor van Sinnen werd hij in 1970 diens opvolger. En vooral vanaf dat moment kleurde hij het pastoraat zowel binnen als buiten het kerkgebouw. De deur en de groene weide inspireerde hem – waarschijnlijk onbewust – sterker dan je op het eerste gezicht zou vermoeden. Behoud en onderhoud van het grote kerkgebouw was zijn grote trots. Hij wist mensen te motiveren om zoveel mogelijk van dat renovatiewerk in eigen beheer uit te voeren. Hij wist letterlijk de portemonnee van lokale en nationale overheid te openen voor zijn kerk van St. Jan. En toen de kerk klaar was heeft de parochiegemeenschap voor haar St. Jan een gebrandschilderd raam cadeau gedaan voor die opgeknapte kerkruimte. Die bijzondere zorg met heel veel zelfwerk van goedwillende parochianen was voor de KRO in februari 1989 zelfs aanleiding om vanuit de vernieuwde ruimte de eucharistieviering uit te zenden. Thijs glorieerde als voorganger. Hij bezat de kwaliteit om mensen te motiveren en te imponeren. Dat was zeker geen nieuw feit want gedurende zijn opleiding in Heeswijk was gebleken dat hij een begenadigd acteur was . Hij vertolkte hoofdrollen in ‘IJver voor Gods huis’ en de ‘Gijsbrecht’.
Wat in Gemert was begonnen beleefde in Vlijmen de nodige hoogtepunten. Maar daar werd het niet afgesloten. Thijs vond na zijn actieve parochiepastoraat nog voldoende energie om gedurende 10 jaar pastoraal actief te zijn bij de zusters van Asten en vervolgens nog eens 10 jaar in Eindhoven bij Glorieux en de broeders van Liefde. En gedurende de verschillende fasen vond hij dagelijks steun van zijn huisgenoten achtereenvolgens Jaantje, Zuster Andrea en Josien en zeker ook niet te vergeten zijn familie .
Rond de jaarwisseling 2016/2017 moest Thijs Eindhoven vaarwel zeggen. Zijn vooral geestelijke krachten maakten zelfstandig wonen niet meer mogelijk. Een korte tijd verbleef hij hier in de abdij maar al snel werd duidelijk dat hij opgenomen moest worden in het verpleeghuis van Laverhof. Hij wist dat hij er zat voor zijn eigen veiligheid en dat accepteerde hij ook, maar hij had het er iedere dag moeilijk mee. Zijn regelmatig bezoekende zwager weet daar van mee te praten. In Jan Nabuurs vond hij een trouwe mantelzorger die het contact tussen Thijs en de abdijgemeenschap op indrukwekkende wijze verzorgde. Op de gesloten afdeling van Lindelaan legde Thijs op de gangen heel wat kilometers af, in zijn hoofd druk met voorbereidingen voor diensten waarin hij zei voor te moeten gaan. Voorbijgangers klampte hij dan aan en vroeg hij om hulp en vervoer. Zijn wereld werd steeds kleiner en hij was steeds moeilijker echt te bereiken.
Terwijl zijn geestelijke krachten sterk achteruitgingen bood zijn sterke lichaam nog de nodige levenskracht totdat Corona uiteindelijk ook bij hem zijn tol eiste. Een medebroeder, dierbaar familielid maar bovenal pastor in hart en nieren is van ons heengegaan. Mag hij nu de vruchten plukken van zijn grote verdienste. Mag hij rusten in vrede.

