Bidden

7 februari 2016: Carnaval

Jesaja 6,1-2a.3-8 en Lucas 5,1-11, C-Jaar

VERKONDIGING

De leerlingen van Jezus krijgen vrij snel nadat ze zich hebben aangesloten bij Jezus te horen dat ze in staat zullen zijn mensen te vangen. ’Mensenvissers’ zullen zij worden.  ‘Mensen vangen’. Wat bedoelt Jezus als hij zijn volgelingen op weg stuurt? In ieder geval is het zeker een uitdaging en aanmoediging. Hij zou met woorden van dit moment gezegd kunnen hebben: Kom op, affeseere doe gin zeer, steek de handen eens uit de mouwen.

Vissen worden gevangen doordat ze in het net worden gelokt. Met heel moderne apparatuur is er in de loop der eeuwen heel wat veranderd op het viswater, maar het principe is gelijk gebleven. Vissen worden in feite voor de gek gehouden met aantrekkelijk voedsel, want het betekent voor hen in feite de dood.
En worden mensen in onze maatschappij ook niet vaak als vissen behandeld? Op veel plaatsen lopen mensen in de val doordat ze met mooie beloften en allerlei aardige cadeautjes worden gelokt. Zo worden producten aan de man of vrouw gebracht. Zo krijgt reclame mensen in de greep, zo worden soms hoge schulden opgebouwd door internet aanbiedingen te kopen. Zo lopen mensen erin, zoals vissen in het net.
Mensen zijn soms als vissen die worden verrast door het net dat over hen wordt geworpen, waardoor ze geen kant meer op kunnen.

‘Mensen vangen‘ kan de suggestie wekken dat er een scheiding zou moeten bestaan tussen mensen die vissen en mensen die gevist of gevangen worden. Een scheiding tussen actieven en passieven. Tussen hen die de leiding hebben en hen die geleid worden, tussen hen die belangrijke posities bekleden en hen die altijd afhankelijk blijven.

Het wezen van Carnaval heeft hier misschien wel meer mee te maken dan we in een eerste opwelling zouden denken en vermoeden. Want Carnaval is toch niet om in een benevelde toestand de dagen door te brengen, zoals wel eens wordt gedacht, maar eerder om alle maskers af te gooien en de betrekkelijkheid van alles te laten zien. We zijn allemaal vissen maar we zijn ook allemaal vissers. Een echte carnavalsvierder zet misschien wel een masker op, niet om zichzelf daarachter te verbergen, maar eerder om zijn status af te leggen en met zichzelf te kunnen lachen.
Hij wil voor enkele dagen de betrekkelijkheid  benadrukken van alles wat in zijn leven zo belangrijk schijnt en zo een ogenblik afstand nemen van de schijn die hij steeds moet ophouden.

Wat zou de vergelijking waarin Jezus vandaag over spreekt en waarover Lukas ons verhaalt vandaag willen voorhouden: ‘Mensen vangen‘ in de ogen van Jezus lijkt me iets anders te betekenen dan mensen erin laten lopen, mensen passief en afhankelijk maken met het risico dat veel mensen juist ‘achter het net‘ vissen.
Het lijkt mij  –  en ik denk dat velen van ons dat uit eigen ervaring wel kunnen beamen  –  dat mensen pas echt gered worden, wanneer ze ervaren dat ze de moeite waard zijn, dat ze actief meetellen, even waardig als ieder die aanzien geniet.

In deze zin mag het voor mij altijd Carnaval zijn, want door het gewone leven heen worden de verhoudingen tussen mensen maar al te vaak bepaald door status, bezit, functie, rangorde, intellect. Het is blijkbaar moeilijk voor ons om gewoon te zijn, wie we zijn: deze mens, die natuurlijk zo zijn gewone achtergrond heeft, maar met allen gemeen heeft dat hij mens is, kwetsbaar en sterfelijk.

Natuurlijk is er verschil in het dragen van verantwoordelijkheid, maar daardoor ben je nog niet meer dan een ander. Zelfs de hoogste gezagsdrager binnen kerk en samenleving moet zich kwetsbaar durven opstellen, open staan voor allen die hem benaderen, ongewapend met zekerheden en stellingen, met een eigen overtuiging maar zonder anderen daarin te vangen. Zo’n houding zou de samenleving en de kerk werkelijk ten goede komen.

Bij Jesaja  –  de profeet van de eerste lezing  –  en bij Petrus uit het evangelie gaat het steeds om mensen in hun gewone omstandigheden. Het zijn mensen die heel dicht bij het leven blijven, die reageren op wat zich aandient. Hoe zou dat voor ons kunnen werken?
Geroepen worden betekent heel aandachtig luisteren naar wat achter de woorden van mensen zit, wat ze niet zeggen, maar wat ze eigenlijk wel willen zeggen. Proberen steeds dat geheim helder voor ogen te krijgen en te houden.
Visser zijn van mensen: het is vanuit een geloof dat het beter worden kan, opnieuw  je netten uitgooien, nieuwe wegen gaan om elkaar meer mens te doen zijn; ook al heb je misschien al veel ondernomen, ook al heb je de hele nacht al gezwoegd.
‘Affeseere doe gin zeer’, en nie allenig mar un paor daogo. Wè dè betreft een hil jaor Carnaval des veul beeter.

Denis Hendrickx o.praem.
Abt van Berne