6 augustus 2017: Gedaanteverandering van de Heer
Daniel 7,9-10.13-14 en Matteüs 17,1-9
VERKONDIGING
Toen ik nog een kind was hadden wij in mijn ouderlijk huis de bijbel volgens Gustave Doré. Een groot zwaar boek, gevuld met tekeningen van Gustave Doré. Gruwelijke, levensechte afbeeldingen. Twee tekeningen zijn mij altijd bij gebleven.
1: de gruwelijke kindermoord in Bethlehem en
2: Daniël in de Leeuwenkuil.
Daniël die de nacht doorbrengt in de Leeuwenkuil omringt door zeer hongerige leeuwen en die ’s morgens door de koning geroepen wordt: Daniël, Daniël leef je nog? Heeft jouw God jou tegen de leeuwen beschermd?
En vanuit de Leeuwenkuil antwoordde Daniël: – Grote koning, God heeft me een engel gestuurd om de muil van de leeuwen te bewaken. Ze hebben mij geen kwaad gedaan.
Het is die Daniël waaruit wij vandaag de eerste lezing gelezen hebben. Hij vertelt ons een verhaal dat de grootheid klaar zit en dat uit de wolken een mens komt, die koning zal zijn in lengte van dagen.
Daniël schrijft dit vermoedelijk twee eeuwen voor de geboorte van Jezus.
Hij vertelt zijn mensen van toekomst, dat dood niet eindig is. Hij vertelt zijn mensen dat geloven in God recht op leven geeft. Dat de nieuwe koning een eeuwige heerschappij zal hebben.
En dan de tweede lezing volgens Matteüs. Ik ken deze verhalen ook uit deze tijd maar dan zijn de vertellers onder ernstige invloed. Menig joint is er dan gerookt als men deze verhalen vertelt. Het zien van verlichte hoofden is een gewild thema binnen die wereld. Maar in het evangelie van Matteüs gaat het niet over een joint of andere verboden middelen daar gaat het echt over iets anders.
Jezus had een week voordat ze deze berg opgingen met zijn vrienden gesproken over zijn leven hier op aarde. Had met hun gepraat over zijn beperkte menselijke toekomst. Onvoorstelbaar voor de mannen. Konden zich geen voorstelling maken dat hun Vriend, de redder van mensen, bedreigt zou zijn door anderen. Een kruisdood was niet bespreekbaar.
En dan nu samen op de berg. Jezus, Petrus, Jacobus en Johannes. En dan gebeurt er iets. Jezus wordt verlicht, lijkt een gedaantewisseling, spreekt met de man van de wet en met de man van de profeten, Mozes en Elia.
En voordat de vrienden zinnig kunnen reageren zegt een stem uit de hemel ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in hem vind ik vreugde. Luister naar Hem!’
De drie vrienden zijn helemaal stil, verbaast, overtroffen door wat ze net meegemaakt hebben. Hun vriend die een andere gedaante aannam, een vader die over zijn zoon spreekt en een opdracht geeft aan hen, vrienden voor het leven.
Het moet groot zijn geweest. Met Jezus op een hoge berg, de verhalen van een mogelijk einde en een Vader die zegt dat je naar zijn Zoon moet luisteren. Groots moet het zijn geweest. Jij een eenvoudige visser die stem van God hebt horen spreken.
Zouden wij dit ook kunnen verstaan?
Onze oren kunnen dat wel maar of ons hart dat kan dat weet ik niet meer in 2017. Zijn wij nog mensen tegen wie God mag spreken? Hebben wij nog ruimte voor die God? Is het niet erg 1950 om te zeggen dat God bestaat? Is God nog een gespreksonderwerp met onze kinderen? Heb ik persoonlijk nog ruimte voor God? Durf ik mij over te geven?
Grote vragen voor ons kleine mensen. Je overgeven aan een ander. Aan een vriend? Een vader? Een moeder? Overgeven aan; Die die wij niet kunnen zien?
Wij weten van de kruisdood van Jezus, wij weten dat het kruis geen definitief teken van de dood is. Wij weten nu meer dan toen de vrienden van Jezus. Is het voor ons gemakkelijker dan? Wij hebben Gods stem niet gehoord? Of toch?
Dagelijks lees ik psalmen en soms word ik geraakt door een zin of door een paar woorden. Psalm 71 spreekt “Ik blijf naar U uitzien, altijd, u lof brengen, meer en meer. Mijn mond verhaalt van uw gerechtigheid, van uw reddende daden, dag aan dag, hun aantal kan ik niet tellen.”
En ik spreek deze woorden uit alsof ik het licht heb gezien alsof ik de stem uit de hemel heb horen spreken.
Spreekt Hij dan toch? Kunnen wij kleine mensen hem zomaar verstaan? Ben ik groot genoeg om te blijven staan en zijn woord te nemen?
Als je in Noord-Frankrijk van de kust het binnenland inrijdt zie je de Kathedraal van Amiens liggen. Op 30 km afstand rijst hij in het landschap op, alsof het een berg is. Een Godshuis! Voor de mensen in die tijd moet dit hetzelfde zijn geweest als voor de vrienden op de berg. God was niet te ontkennen. Woordeloos sprak Hij tot de Franse boer.
En dan wij?
Openen wij ons hart, verstaan wij die God van mensen? Durf ik Ja te zeggen. Durven wij onze handen te openen, durven wij te kijken door de wimpers voor onze ogen, en durven wij met een blos op onze wangen te fluisteren: “Ja ik ben thuis, kom maar”.
Amen.
Jan Claassen, participant Norbertijnen

