Bidden

5 en 6 mei: 6e Zondag van Pasen

Handelingen van de Apostelen 10,25-48 en Johannes 15,9-17, B-Jaar

VERKONDIGING

Die enkele zinnen van het evangelie van vandaag kun je betitelen als een belangrijk fundament, als een soort samenvatting van wat het leven van een Christen zou dienen te bevatten. Het toont een duidelijke weg: de weg van de liefde. Jezus heeft die weg als eerste bewandeld en het is een uitnodiging aan ons om in zijn voetsporen te treden.

De evangelist Johannes had dat in zijn tijd duidelijk begrepen. Meestal is deze evangelist niet zo gemakkelijk te volgen. Hij bouwt nogal eens ingewikkelde redeneringen op om eenvoudige dingen te verklaren. In het evangelie gedeelte van vandaag laat hij Jezus zonder omwegen zeggen waar het om gaat in ons Christen zijn: “elkaar liefhebben, zoals Jezus ons heeft liefgehad.”

Ook vandaag gebruikt Jezus daar weer zo zijn eigen beelden bij. Hij legt eigen accenten welke wellicht voortkomen over een minder traditionele en meer verrassende kijk op het omgaan met mensen en op het dienen van God. Zo deelt hij de mensen niet op, zoals dat veelal wel gebruikelijk was bij de verschillende overheden, in goede en slechte mensen, in hoog en laag, maar ziet hij in alle mensen kinderen van God en beleeft hij ze bijgevolg als broeders en zusters. ‘Ik noem jullie mijn vrienden, zo horen we hem vandaag in de evangelielezing zeggen. Heb elkaar lief want dan zul je vruchten dragen en de opbrengst van de vruchten zal niet verloren gaan.’

Ja, wij worden door Jezus op weg gestuurd met de opdracht om ook aan anderen uit te dragen dat zij en wij allemaal kinderen zijn van een en dezelfde vader dat we dus elkaars broers en zusters zijn, de een niet meer en niet beter dan de ander.
Wel heel toepasselijke woorden als we in deze dagen stilstaan bij vrijheid waarvoor geïnvesteerd moet worden, telkens weer, onophoudelijk. Doen we dat niet dan vallen er slachtoffers te betreuren. Dat geldt voor de kleine wereld van dagelijks samenleven, dat geldt voor de grote wereld waar we deel van uitmaken.

Op het eerste gehoor klinken die woorden van vandaag heel begrijpelijk en vanzelfsprekend, maar als je het goed nagaat, dan gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat we met de principiële gelijkwaardigheid toch wel eens wat moeite hebben. En ik denk dat het nu niet zoveel anders zal zijn dan het toen geweest is.

De tekst welke we lazen uit de Handelingen van de Apostelen laat niets aan duidelijkheid te wensen over: zo dacht Petrus toch aanvankelijk dat er meer Joden waren dan niet Joodse mensen. Ja toch! In het stukje tekst dat voorafgaat aan wat we vandaag gelezen hebben uit de handelingen kun je lezen dat er eerst een visioen aan te pas moest komen alvorens Petrus kon toegeven dat je mensen niet mag opsplitsen in rein en onrein, goed en slecht. En dit nieuwe inzicht kreeg dan zijn toepassing in Petrus houding naar het gezin van de Romeinse officier in het leger, Cornelius. Eindelijk was hij het anders gaan zien. En zo kon het gebeuren – zoals we het hoorden voorlezen – dat Petrus Cornelis direct overeind hielp en hem zei: ‘Sta op, ik ben ook maar een mens.’ Hier is bij Petrus eindelijk sprake van die Jezus mentaliteit: laten we vrienden zijn en niet denken in hoog en laag, in meer of minder. Hij was gaan inzien dat hij niet beter was dan een ander. Ja, hij was in staat om eindelijk aan zichzelf toe te geven dat hij soms verkeerde dingen deed. Dat hij een twijfelaar was. Op het moment dat hij Jezus in de steek liet uit angst dat ze hem ook gevangen zouden nemen liet hij overduidelijk zien als een bangerik in zijn hemd te staan: ‘Ik ken die man niet …’

Ja, ook Petrus, die wij graag zijn gaan zien als de vertegenwoordiger van de gehele kerkbeweging, kon het eindelijk volmondig zeggen: ‘hoor eens, ik ben ook maar een mens.’ Misschien is het goed dat we hem dat met z’n allen maar nazeggen: ‘Ik ben ook maar een mens, niks meer dan een ander, en jij bent mijn broeder en jij bent mijn zuster.’

Ik herinner me hoe 5 jaar geleden bij de keuze van Paus Franciscus er zo’n groot enthousiasme was. Bij zijn presentatie vroeg hij voor hem te bidden, want … ik ben ook maar een mens … Zo’n opstelling van mens te zijn met en onder de mensen zou wel eens de grootste bijdrage kunnen zijn voor een groeiende waardering voor elkaar. En snakken we daar niet naar, is dat niet de grootste opdracht om aan toekomst te werken.

We vieren dit weekend onze vrijheid. Vrijheid om te kunnen zien waar de situatie om vraagt; en de vrijheid om daar ook daadwerkelijk gehoor aan te geven. Vrijheid ontstaat doordat je met elkaar optrekt, aan elkaars zijde gaat staan, de ander gewoon menselijk nabij bent. Vrijheid ontstaat doordat je kiest: als individuele persoon, als samenlevingsverband, als natie, als wereldsamenleving.

Pas door daadwerkelijk te zeggen wat gezegd moet worden en te zien wat gedaan moet worden, houden wij de vrijheid in stand door haar opnieuw vorm te geven, telkens weer opnieuw en in ons doen en denken voortdurend te beseffen: ik ben ook maar een mens.
Amen.

Denis Hendrickx o.praem
Abt van Berne