4 maart 2018: 3e Zondag van de Veertigdagentijd
Exodus 20,1-17 en Johannes 2,13-25, B-jaar
VERKONDIGING
Wij mensen hebben behoefte aan goede richtingwijzers. We stellen het op prijs als goed wordt aangegeven hoe we van A naar B kunnen komen. Hier in de directe omgeving, met zoveel werk aan de weg kan dat tot veel ergernis leiden als niet duidelijk is hoe je een en ander kunt bereiken. Zonder aanwijzingen en afspraken is het moeilijk heelhuids je bestemming te bereiken.
Ook in het onderlinge menselijke verkeer is het van groot belang dat er aanwijzingen zijn hoe met elkaar om te gaan, hoe je te gedragen ten opzichte van elkaar. Als we ons in het verkeer of in de menselijke verhoudingen niet houden aan de aanwijzingen (geboden en verboden) dan komen we in de kortste keren in een chaos terecht, die uitloopt op onenigheid en ruzie.
Zoals we uit de woorden van Exodus hebben kunnen opmaken zijn er door God ook aanwijzingen gegeven. Tien woorden aan het volk van Israël, zodat dit volk veilig en behouden door de woestijn kon komen om in vrijheid te kunnen leven in het beloofde land. Wat er in die tien woorden gezegd wordt, komt in het kort hierop neer: heb respect voor God en heb respect voor je naaste.
Die 10 woorden worden door ons nagenoeg altijd aangeduid als ‘10 geboden’. Eigenlijk is dat een beetje misleidend want het gaat niet om geboden, maar om 10 bevrijdende woorden. Het gaat om woorden die richting wijzen. Woorden die wijzen in de richting van vrede, vrijheid en ruimte om te leven voor iedereen.
En met die 10 woorden worden wij door God uitgenodigd om ze te doen en na te leven. Die 10 woorden naleven en inhoud geven wil zeggen leven in vrijheid en leven in vrede met elkaar.
Het moet heel bijzonder geweest zijn hoe Mozes in de woestijn eigenlijk de inhoud van de woorden op het spoor is gekomen als een soort basisvoorwaarden welke ervoor zorgen dat wij mensen gelukkig worden met en aan elkaar. Wat sterker gezegd die 10 woorden zorgen ervoor dat een dreigende chaos welke altijd op de loer ligt wordt afgewend, of het nu gaat om een persoonlijk leven of een samenleving in het algemeen.
Die 10 kernwoorden zouden we tegen de zojuist geformuleerde gedachte als volgt kunnen interpreteren:
1. Wie zinvol wil leven laat zich niet leiden door eigen belang, door vooroordelen, door verworven rechten of door zelfbedachte waarden. Je laat je leiden door de ene God, die alle leven geeft en evenveel houdt van iedereen.
2. Niets van al wat er bestaat, is het waard door jou als God vereerd te worden. Als je de Enige God verwerpt, draag je daarvan zelf de gevolgen en dan geef je die gevolgen ook door aan de komende generaties.
3. Wie gelooft in de naam van God, handelt overeenkomstig. God doorziet elk eigenbelang.
4. Werken is niet het enige doel in je leven: als je werkt neem op tijd je rust. Je vrienden en familie geef je aandacht. Je denkt geregeld aan wat God je heeft gegeven. Je leven heb je gekregen van God.
5. Jij en je generatiegenoten dragen zorg voor de anderen. Allen zijn we kinderen van God. Zo werk je mee aan stabiele vrede en een evenwichtige samenleving.
6. Je doodt niet.
7. Je laat je levenspartner niet in de steek.
8. Je steelt niet en eigent je niets toe dat aan een ander toebehoort.
9. Je getuigt niet vals over een medemens en hecht er het grootste belang aan in waarheid te leven.
10. Je begeerte naar meer bezit hou je in bedwang. Begeerte schendt de naastenliefde en is de wortel van alle kwaad.
Met dat overbekende bijbel verhaal van vandaag worden we opgeroepen om goed bij onszelf na te gaan wat ons tot vrijheid voert en wat ons gevangen houdt. Gelukkig dat we die tien woorden als iets kostbaars meegekregen hebben. Ze staan niet alleen in steen gebeiteld, maar ook in het hart van iedere mens. Als we goed luisteren naar ons hart, zullen we in vrijheid kunnen leven. We zullen bij en met elkaar ervaren dat het uiteindelijk om bevrijding gaat. Bevrijding uit alles en van alles wat het geluk van mensen in de weg staat.
Mensen helpen om te genezen. Mensen nabij zijn om hun lijden te verzachten. Eenzaamheid van mensen verminderen. Een eindje met mensen meelopen. Een hand op de schouder van iemand leggen. Rondlopen met een blik van verstandhouding in de ogen … zolang deze dingen nog niet voldoende gebeuren, moet de vloer nog schoongeveegd worden van al het onrechte gedoe.
Zou juist dit niet de betekenis zijn van het evangelieverhaal over die tempelreiniging?
Als Pasen een feest van bevrijding wil zijn, dan zullen we toch moeten proberen om wat boven onszelf uit te stijgen, te verrijzen, iedere dag een beetje. Misschien is veertig dagen, veertig dagen van bezinning dan nog wel te kort. Daarom die vraag: ‘Hoever is Pasen nog van mij verwijderd?’
Amen.
Denis Hendrickx o. praem
Abt van Berne

