Bidden

30 juli: 17e Zondag door het jaar

1 Koningen 3,5.7-12 en Matteüs 13,44-52, A-Jaar

VERKONDIGING

“Dat jammeren en tandengeknars in de vuuroven”, zou door Jezus weleens een beetje als een grapje bedoeld kunnen zijn, zoals wij grapjes maken over bijvoorbeeld het vuur en de hitte van de hel. Het komt mij zo’n beetje voor alsof Jezus wil zeggen: als jullie per se dat oude liedje nog eens willen horen, vooruit dan maar. Op het einde van zijn toespraak zegt Jezus immers: ‘Daarom gaat het met iedere Schriftgeleerde die leerling is geworden als met een huisvader / een huismeester die uit zijn voorraad nieuwe en oude dingen tevoorschijn haalt’. Oude dingen die staan voor gangbare voorstellingen. En dat nieuwe, door een andere bril bekeken, wat zou dat dan kunnen zijn.

Over dat nieuwe horen we Jezus spreken in de mini parabels – die korte gelijkenissen – over een schat in de akker en over een kostbare parel. Na de beginwoorden heb je de verwachting dat er dan glasheldere informatie komt over dat geweldige en bijzondere rijk der hemelen, maar niets daarvan. Niets over wat je te wachten staat, wat het precies inhoudt! Wel dat je er veel voor over moet hebben om erin binnen te gaan. Een reclamebureau zou tegenwoordig zeggen: Werk een en ander eerst maar eens wat beter uit, maak op hoofdpunten maar eens een plan de campagne want zo kan ik er geen zinvol spotje van maken of een werkbaar plan van aanpak.

Dat eerste spotje over de verborgen schat in de akker. In Jezus dagen bestonden er wel banken waar je je geld in bewaring kon geven. Maar dan alleen in de steden. Op het platteland was iemand aangewezen op zijn eigen privé boerenleenbank. Je stopte je kapitaal in een pot, maakte een gat in de grond en begroef de pot met geld. En dan – zoals wij weleens onze pincode vergeten – zo vergaten de mensen soms de plaats van hun privé boerenleenbank. Iemand anders kon dan later per ongeluk – of eigenlijk wat beter gezegd ‘per geluk’ – tijdens het ploegen van het land op die schat stuiten.
In de parabel van vandaag merken we dat een man die andermans akker aan het ploegen is en zo’n privé-kluis vindt, er niet met de buit vandoor gaat maar alles op alles zet om die grond te verwerven. Dan is hij immers vrij man.

In die andere parabel probeert een handelaar zijn waar aan te prijzen. Parels, niet van die nepkwaliteit zoals we die bijvoorbeeld dezer dagen kunnen vinden in allerlei kramen op de kermis, nee, parels van de allerhoogste kwaliteit. Tussen ‘kunst en kitsch’ het echte kostbare er tussen uit weten te halen. En dan eindelijk vindt hij die ene parel waarnaar hij al jaren op zoek is. Hij verkoopt alles wat hij bezit om toch maar die ene parel als zijn eigendom te kunnen verwerven. En wat dan? Wat gaat die man er mee doen? Gaat hij er een hele dag naar zitten kijken?
Een vreemd verhaal eigenlijk dat vandaag klinkt, maar het kan ook niet anders. Het gaat namelijk niet over de gewone mensenwereld van alledag, maar over de nieuwe kijk op de dingen die Jezus propageert.

En wij …
Als wij vandaag de dag praten over evangelie, kerk en christelijk leven, doen we dat dan ook met die nieuwe woorden van Jezus als ‘een schat in de akker’ en ‘een kostbare parel’, of toch meer met die oude woorden als ‘vuuroven’, gejammer en tandengeknars.
Hoe heeft het toch eigenlijk kunnen gebeuren dat in de loop van de tijd de vriendelijke uitnodiging van Jezus nagenoeg helemaal is verworden tot een boodschap van angst voor God, van regels en geboden waar je je aan moet houden en anders niet mee mag doen; aan bepaalde kwaliteitseisen voor liturgisch brood wat blijkbaar belangrijker is dan volwaardig meevieren; aan relaties die niet gevierd mogen worden omdat ze bij een kleine groep op weerstand stuiten als daarvoor de kathedraal gebruikt zou worden, terwijl een jaarlijks concert van een grote bankinstelling wel kan.

Wat is er van de blijde boodschap over gebleven. Waarom wordt de kostbare schat telkens opnieuw begraven. Maar laten we niet te somber zijn. Ik geloof vast dat er in de harten van mensen meer God, meer liefde, leven en toekomst te vinden is, dan in alle wetten en regels van de Kerk.

Als we zoeken, vinden we in ons hart en in ons leven parels van mogelijkheden om goed te doen, geluk te brengen, God nabij te doen zijn en zijn Koninkrijk te helpen groeien. We moeten niet ver gaan zoeken. Eerder dichtbij, op de plaats waar we staan. Daar is de schat te vinden, lijkt de parabel van de schat in de akker te willen zeggen. We zien de mogelijkheden niet altijd, we hebben de neiging er over heen te kijken. Zoek dus niet te ver, het is dichtbij, in je eigen hart.

Denis Hendrickx o. praem
Abt van Berne