3 april 2016: 2e Zondag van Pasen / Beloken Pasen
Handelingen 5,12-16; en Johannes 20,19-31, C-Jaar
VERKONDIGING
Zojuist hoorden we in woorden van de evangelist Johannes over een leerling van Jezus waar we – zo denk ik in alle bescheidenheid – toch wel veel op lijken: Tomas. Bij velen van ons – in de volksoverlevering – wordt deze apostel de ‘ongelovige Tomas’ genoemd. Hij wilde dat verhaal van Pasen, dat Jezus uit het graf was opgestaan, niet geloven. Hij wilde Jezus eerst wel eens met eigen ogen kunnen aanschouwen. Eerst zien, moet die Tomas hebben gedacht, en daarna geloven.
Vandaag de dag leven wij sterk tussen wat we zouden kunnen noemen de zekerheid van gisteren en de dromen van morgen. Het brede scala aan media vertelt ons elke dag hoe het gisteren was. En diezelfde media zetten grote vraagtekens bij mensen die dromen van morgen. Dat vraagteken geeft de twijfel aan of die dromen toch wel uitkomen. We willen het eerst allemaal nog zien. Het moet eerst allemaal nog maar eens bewezen worden. We leven in het ‘nu’ altijd in de spanning tussen de zekerheid van gisteren en de dromen, wensen en verlangens van morgen.
Om een en ander wat goed te kunnen plaatsen moeten we ons terdege realiseren dat in de tijd van Tomas de Schriftgeleerden het geloof van morgen hadden vastgelegd en nogal sterk hadden dichtgetimmerd in een strenge leer. In die leer was geen ruimte voor dromen, wensen en verlangens. Morgen zal hetzelfde gebeuren als gisteren. En hoe mensen moesten geloven en leven, was vastgelegd in vaste formules, geboden en verboden. Voor mensen die geloofden in een levende God was de leer van de Schriftgeleerden nagenoeg ondragelijk. Muren hadden de Schriftgeleerden om het geloof heen gebouwd. Voor hen was de traditie heilig. Voor mensen die eerlijk zochten naar antwoorden op actuele en brandende vragen was er geen ruimte.
Jezus hoorde de zorgen van mensen en zag hoe ze er onder gebukt gingen. Hij ging naar mensen toe en luisterde naar hen. Dat was een nogal nieuw fenomeen. Dat waren ze niet gewoon. De mensen moesten immers zonder meer luisteren naar de Schriftgeleerden en zeker niet andersom. En nu stond daar iemand op die aandacht had voor mensen, die naar hen toekwam. Voor Schriftgeleerden was die Jezus een bedreiging. Voor Jezus was geloven in God niet te vatten in allerlei vaste formules. Geloven in God in steeds wisselende omstandigheden was voor Jezus een zoekproces. Daarom was die Jezus in de ogen van de gezagsgetrouwen een man met merkwaardige en ketterse ideeën . De overheden wisten gedaan te krijgen dat Jezus de doodstraf kreeg en het veld moest ruimen. Hij stierf aan het kruis. En als je iemand uit het veld hebt geruimd dan denk je al snel dat je daarmee van zo iemand af bent en nadrukkelijk ook van zijn gedachte goed.
Maar die Schriftgeleerden vergisten zich sterk. Na de dood ging dat geluid nog sterker opgang doen. Het gedachtegoed kwam sterk naar voren in allerlei gesprekken van mensen. De leerlingen van Jezus vertelden er voortdurend over. Hoe meer levende herinneringen er over Jezus werden opgehaald, hoe meer Jezus tot leven kwam. Zo’n verhalen en gedachten kunnen zo sterk zijn dat de overleden persoon je zo nabij is dat je werkelijk kunt geloven dat hij er nog is, dat hij in je midden staat en zegt: ‘Vrede zij U‘.
En Tomas brengt dan zijn grote twijfel naar voren. Hoe kun je nu in iemand geloven die dood is. Laten we het maar houden bij het gedachtegoed dat allemaal al bepaald is. En nu vertellen zijn vrienden dat Jezus in hun midden stond en hen vrede wenste. Die wens mogen wij ook verstaan, zoals naar ik denk de leerlingen die ook hebben verstaan: dat we vrede hebben met de levensweg van Jezus en dat we vrede hebben met onszelf. Dat we niet blijven rondlopen met gevoelens van schuld over wat er in het verleden allemaal verkeerd is gegaan. ‘Vrede zij U‘, wil toch ook en vooral zeggen dat alle schuld van onze schouders wordt genomen; het zij ons vergeven. Vanaf nu mogen we opnieuw beginnen met het waarmaken van de droom, alle mensen mogen leven in vrede met elkaar. Van de Schriftgeleerden mocht dat niet. En Tomas kan niet geloven dat het waar is. Dat hij mag dromen en eraan werken zijn droom waar te maken. Als je niet geloven wilt, moet je maar voelen, lijkt Jezus vandaag heel nadrukkelijk te willen zeggen. Wie de verrezen Heer wil ontmoeten zal de vinger op de wond moeten leggen.
Pasen gebeurt nog steeds, gebeurt vandaag. Als wij elkaar willen zien staan, als we van elkaars pijn willen weten, als we heel voorzichtig de wond aanraken, als wij de wereld willen zien in haar gebrokenheid en verborgen verdriet.
Dat overkwam ook de andere apostelen toen ze de wereld weer in gingen. Ze kwamen oog in oog te staan met allerlei zieke mensen die hoopten op genezing. Johannes ziet in zijn visioen de mensenzoon en valt voor zijn voeten. ‘Wees niet bang’, kreeg hij te horen. ‘Ik leef ‘. Pasen is een voortdurende gebeurtenis. ‘Het was, het is en het zal hierna gebeuren’.
Vorige week was het Pasen. Vandaag is het Pasen. Zolang wij onze handen openen voor de vrede, zal het altijd Pasen zijn.
Amen.
Abt Denis Hendrickx o.praem

