Bidden

25 februari 2018: 2e Zondag van de Veertigdagentijd

Genesis 22,1-2.9a.10-13.15-18 en Marcus 9,2-10, B-Jaar

VERKONDIGING

Goede zusters en broeders,

Het moest er toch eens van komen. Jezus op reis naar Jeruzalem. Wellicht heeft hij vaak geaarzeld. Want hij was zo op zijn gemak in Capharnaüm, daar aan de oever van het meer. Op die plaats woonden zijn vrienden; hij vond er zijn 12 apostelen en men had er belangstelling voor zijn boodschap. Maar Jeruzalem stond ook in zijn opdracht. Tijdens de tocht waren er al vaak confrontaties met Farizeeën en Wetgeleerden. Daarom besloot hij een adempauze in te lassen. De berg Tabor beklimmen en daar rust vinden.

Met 3 vrienden: Petrus, Johannes en Jacobus begint hij de klim. Berg beklimmen is iets als door een instinct. Een kind wil al klimmen, zo hoog mogelijk. De tocht omhoog is zwaar, maar de aankomst op de top is een beloning. Geweldig, dat je het gehaald hebt. En wat een ervaring! Het uitzicht. Je ziet vanwaar je kwam en waarheen de tocht leidt. Het wonder van de natuur. En de stilte. Die wonderbaarlijke stilte. Je wordt boven jezelf uitgetild. Je raakt in een soort extase. Dat gebeurde ook met Jezus. Je kunt er geen foto van maken. Er is zoveel onzichtbaar. Misschien dat een groot schilder met kleuren etc. gevoelens kan uitdrukken.

Jezus in extase. Hij ziet waar hij vandaan komt en waarnaar hij gaat. Hij ziet de geschiedenis van zijn volk. Mozes is daar: de bevrijder. Mozes die zijn alsmaar mopperende mensen rustig moet houden. Elia en de profeten die hebben gepleit voor recht en gerechtigheid. En dan straks verder naar Jeruzalem. Vindt hij daar vrede of pijn en kruis. Maar het kruis kan toch niet het einde zijn. En in dit bijzondere extatisch moment, tijdens deze berg-top-ervaring hoort Jezus een stem. Hij is het! Mijn geliefde zoon. Luistert naar hem. Ook de 3 leerlingen van Jezus zijn buiten zichzelf van verbazing. Wat heerlijk! Laten we hier maar blijven. Hier een tent bouwen.
Neen, zegt Jezus. We moeten de berg af. We moeten verder en vertel voorlopig aan niemand over deze ervaring in de stilte.

En wat moeten wij, zusters en broeders, met dit Tabor-verhaal, met deze stilte-ervaring. Misschien geeft het wel inspiratie voor heel wat dingen. Op zoek gaan naar stilte, de stilte.
In de stilte horen we misschien een stem. In de stilte komen we in ieder geval dichter bij onszelf. Zien we, waar we vandaan komen. Ook wij kenden – zoals de Joden, Mozes – wijze mannen en vrouwen, die ons leerden wat belangrijk is in het leven. Die een einde probeerde te maken aan ons mopperen en zeuren. En vandaag de dag moeten we alle handy’s en i-pads maar eens even afzetten om in de stilte iets te zien of te horen wat er echt toe doet.

Een stem, die zegt: zoekt Jezus van Nazareth, pak zijn boodschap en weest echt verzekerd van geluk.
In onze streken is veel van gemeenschappelijkheid verloren gegaan. In verenigingen, in verbanden, in kerkelijke kringen. Het wij samen wordt weggedrongen door ik eerst. Misschien zegt de stem, doe het weer samen.
Waar er 2 of 3 in mijn naam bijeen zijn, ben Ik in hun midden. En mijn aanwezigheid zal vreugde schenken.

Ervaringen op de top. Ervaringen in de stilte: ‘s Morgens om kwart over zeven ga ik hier naar de Norbertus-kapel. Het is er stil, heel stil. Dat voelt goed aan. Met medebroeders en vrienden bid ik dan oude psalmen, heel oude gebeden. Maar de woorden zijn niet belangrijk. De sfeer, die de stilte heeft opgeroepen brengt me soms in een bijzondere stemming. Je denkt Gods aanwezigheid te voelen. Hij is er, Hij zorgt, wat men ook zal zeggen of beweren.

Met U zou ik – niet hier op de preekstoel – gewoon willen spreken over stilte, over ervaringen en met U zou ik ons geloof willen versterken! God is er, Hij leeft, Hij zorgt.

Over een paar weken vieren we het op het Paasfeest. God zei: Luistert naar Hem, kijkt naar Hem. Hij komt de dood te boven. En de arme mensen in India, voor wie wij sparen in deze 40-dagen tijd zullen een ervaring hebben. Mensen uit Europa hebben ons geholpen en blij gemaakt. God bedankt. Dit is onze stem en blijf a.u.b. spreken tot ons.
Amen.

Wim Manders o.praem