23 oktober 2016: 30e Zondag door het jaar
Sirach 35,12-14,16-18 en Lucas 18,9-14, C-Jaar
VERKONDIGING
Goede zusters en broeders,
Hij, Jezus van Nazareth, had goed om zich heen gekeken. Hij had mensen horen praten en bezig gezien. Er groeide in zijn binnenste bewondering en ergernis. En omdat hij het als zijn opdracht zag om mensen te brengen tot bevrijding, om goede mensen van hen te maken, benaderde hij hen met een verhaaltje. Een verhaal voor hen, waaraan hij zich ergerde; een bekend verhaal over twee mannen in de tempel; een verwaande farizeeër vooraan en een bescheiden tollenaar op de achterste bank.
Om dit verhaal als nieuw te laten klinken, een verhaaltje uit onze wereld. Een pater vertelde – zonder het biechtgeheim te verbreken – dat een mevrouw in de biechtstoel zei: Pater, ik heb niets verkeerds gedaan. Ik maakte geen enkele fout. Ik kan hier dus niets doen. Weet je wat, zei de pater, dan zoeken we in de kerk een vrij consooltje waar jij op kunt staan te midden van de heiligen. Maar – zo gaat het verhaal verder – de heiligen wilden de vrouw niet in hun midden. Nee: wij zijn wél mensen met zonden, niemand van ons is zonder fouten. Maar wij danken God, dat hij met ons meeging, ons niet in de steek liet en ons hielp om goede mensen te worden. Dankzij God staan wij hier als heiligen, verlost van het kwaad.
Zusters en broeders, als je die vrouw ziet staan met al haar zelfverzekerdheid, dan gaan uw gedachten vanzelf naar de farizeeërs daar voor in de tempel. Van dat soort mensen hield Jezus niet. Die mensen moeten nog uit hun zelfverzekerde ik worden gehaald om uit te groeien tot goede mensen, tot heiligen.
Voor de tollenaar ook een verhaaltje uit onze wereld. De pastoor gaat op bezoek bij een familie, waarvan de vader een eenvoudige, maar trouwe vrijwilliger is. Voor de pastoor staat een zetel klaar, maar hij gaat op een krukje zitten dat in de hoek van de kamer staat. Maar, mijnheer pastoor toch. Ik vind het erg, zo reageert de pastoor, dat jouw man in de achterste bank zit of soms zelfs op de achterste tegel staat. Zo’n door en door goede man hoort wat meer vooraan te zitten.
Ik zal het hem zeggen, mijnheer pastoor, maar ik denk niet dat hij het doet. Door en door goede mensen, bewust van eigen kleinheid, voelen zich het best thuis op hun eigen eenvoudige plaats. Van hem naar de tollenaar in het evangelie is ook maar een korte afstand.
Twee mensbeelden. Ze worden voor ons geprojecteerd tot onze lering. De verwaande farizeeër. Op zichzelf gericht, zelfbewust, door eigen kracht opgegroeid. Ik-gericht. Het wij is niet belangrijk, soms slechter dan hij. Van buiten lijkt hij heel correct, maar in zijn hart heerst grote armoede. Daar beseft hij niet dat God het is, die hem alles schenkt, leven en goed, elke nieuwe dag en de mooie wereld om hem heen. In zijn hart leeft ook niet de overtuiging dat hij behoort tot de mensengroep, tot het grote wij, dat hij in het wij-samen gelukkig kan zijn.
Van buiten is alles mooi en in orde, maar in zijn binnenste zorgt die armoede ervoor dat hij geen oog heeft voor anderen. En omdat hij zich ook van die armoede niet bewust is, kan hij ook geen zorg hebben voor de arme en kleine mensen. De verwaande farizeeër zonder God. Als wij er sporen van vinden in ons binnenste, laten we ze snel uitwissen. Want Jezus, want God wil dat wij gerechtvaardigd naar huis gaan.
Gerechtvaardigd naar huis gaan. Jezus bedoelt ermee, dat we dan de trekken van die tollenaar op de achterste bank in ons moeten toelaten. De trekken van de tollenaar! Een eenvoudige man, eenvoudig in alle betekenissen van het woord. Waar de binnenkant en de buitenkant hetzelfde zijn. Waar geen schone schijn wordt toegelaten. Iemand die zich bewust is van zijn eigen kleinheid, van eigen tekort en eigen onzekerheid, maar die tegelijkertijd bereid is op zoek te gaan naar hulp, op zoek te gaan naar God, die steeds bereid is om mensen te helpen, te bevrijden, goed te maken.
En als je je afhankelijk weet van God, als je beseft dat hij je kleinheid groot maakt, dan zul je erop uitgaan, dan zul je anderen willen ontmoeten, dan zul je in het grote wij geluk ontdekken. En vooral zul je ontdekken, dat wij met het wij-gevoel openstaan voor alle mensen, wie dan ook, of waar ook ter wereld. Mensen, die door God zo gemaakt zijn, noemen we door en door goede mensen. Door en door goede mensen of heiligen.
U moet langzamerhand doorhebben welk profiel van dat verhaal ik bij u wil aanbevelen.
Met dit profiel:
ben je zelf gelukkig
maak je veel mensen om je heen gelukkig
heb je zorg voor de rest van de wereld en voor de schepping
ben je een bruggenbouwer
en ben je een dankbaar kind van onze God, die liefde heet.
Amen.
Wim Manders o.praem

