Bidden

23 april 2017: 2e Zondag van Pasen

Handelingen 2,42-47 en Johannes 20,19-31, A-Jaar

Goede zusters en broeders,
Nog geen week geleden stond ik hier en sommigen van U waren er ook. De voorganger vroeg met duidelijke stem: Gelooft gij in Jezus Christus? En ik antwoordde en wij antwoordden: Wij geloven. Wij geloven in Jezus Christus, met stemverheffing, het leek wel een kreet, een overwinningskreet: Wij geloven.

Maar, en dat denk ik nu: was die stem niet iets te hard? Ben ik met die kreet klaar … Neen, geloven is meer dan een kreet uiten! Geloven is iets doen. Geloven is een werkwoord!
Wil ik met die woorden zeggen: Ja, je kunt het zien! Hoeveel ik van Jezus hou. Hoe ik wil doen wat Jezus deed: leven zoals Hij, liefhebben zoals Hij, als het moet lijden zoals Hij. Je kunt zien, dat het beeld van Jezus in mij tot leven komt.
Dat is geloven, met mond en hart.
Als ik mezelf zo zie staan en misschien hebt U hetzelfde gevoel als ik mezelf zo bezig zie, durf ik dan luid te roepen: Ik geloof in Jezus Christus?

Gelukkig komt het grote boek: de Bijbel ons ook vandaag helpen en stimuleren. Wijze mensen hebben mij gezegd, dat je voor een goed en heilig leven een dragend verhaal nodig hebt. Het verhaal van de eerste lezing is zo’n dragend verhaal. Het vertelt ons het gedrag en de levensinstelling van de eerste christenen. Bij alle belangrijke gebeurtenissen in mijn leven is dit verhaal voorgelezen. Sint Norbertus had het gehoord van Sint Augustinus en het ons meegegeven. Christenen, een gemeenschap van vrede, waar men met hart en ziel eenheid, broederschap, zusterschap sticht en bewaard. Waar men trouw is, vooral trouw is in het gebed. Waar eenvoud en blijdschap het dagritme bepalen en waar men niet verdraagt, dat iemand arm is, honger heeft of vrijheid mist. Als bij een groep van mensen, dit dragende verhaal werkelijkheid wordt, dan kun je zeggen, dat deze mensen gelovig zijn. En als het al maar een beetje lukt en als de wil om het nog beter te doen aanwezig is, dan mogen mensen, met stemverheffing uitroepen: Wij geloven. Wij geloven!

En dan naar het evangelie. Daar gaat het over de mens, die wij meestal een ongelovige Thomas noemen. Is dit een veroordeling? Moest die Thomas even enthousiast zijn als de andere leerlingen? Ik lees het verhaal nog een keer! De leerlingen schijnen er gauw mee klaar te zijn. Zij dachten dat ze het allemaal goed zagen. Ze werden misschien te spontaan blij. Bijna als kinderen, die iets leuks zien, roepen ze uit: We hebben hem gezien. Hij leeft, nu weten we het. Ze willen Thomas jaloers maken. Wij weten het, wij geloven.
Volgens mij leek het een beetje op mijn kreet, onze kreet in de paasnacht. Wij geloven. Wij weten het?

En dan Thomas. Hij vindt dat het te vlug gaat, zo kort door de bocht. Hij kijkt de anderen aan en zegt: Ik zie de Heer pas, als hij in mij is. Als zijn beeld in mij opgaat. De hele Christus, zijn leven, ook zijn lijden en de lans steekt in mijn zijde. Als die Christus in mij opdaagt, voelbaar wordt, dan geloof ik.

Een week later, nu is het zover. Thomas, hier ben ik voor jou, in jou, met alles wat bij me hoort.
En dan Thomas: geen luide kreet, maar eenvoudig en blij: Mijn Heer en Mijn God.

In de Paasnacht: toen was het begin: een luide kreet! En nu vandaag om Pasen af te sluiten, heel bescheiden. Opziende naar de Christus, die verrezen is: Mijn Heer en Mijn God.
Een bede, om door het geloof in Hem te mogen leven zoals Hij en om leven te geven.
Amen.

Wim Manders o.praem