Bidden

22 Maart 2015: 5e Zondag in de Veertigdagentijd

Jeremia 31,31-34 en Johannes 12, 20-33, B-Jaar

VERKONDIGING

‘We zouden Jezus willen ontmoeten’. Met die bede richtten enkele Griekse pelgrims zich tot Filippus. We mochten dat zojuist beluisteren in de evangeliewoorden. Naar alle waarschijnlijkheid hadden die Grieken wel een en ander gehoord van Jezus, maar nu willen ze hem wel eens echt te zien krijgen. Al die verhalen die over die man de ronde deden zijn niet meer voldoende. Het moet nu maar eens zichtbaar en tastbaar worden. En de nieuwsgierigheid is zo groot dat ze Filippus in de arm nemen, in de hoop en verwachting dat hij hen wel bij Jezus zou brengen.

Helemaal niet zo’n vreemd verhaal dat vandaag klinkt. Je hebt veel horen zeggen over iemand of iets en dan groei je min of meer automatisch naar het moment dat je er wat directer mee geconfronteerd wil worden. Een gang van zaken, een handelwijze, welke wellicht bij ieder van ons wel eens opkomt.
Diep in ons hart geloven we wel in Jezus, maar tegelijkertijd gaat dat ook gepaard met een zekere twijfel en een zeker ongeloof. We zouden Jezus willen ontmoeten om zeker te zijn dat alles wat over Hem gezegd wordt waar is.

De vraag van deze dag is eigenlijk dus helemaal niet zo bijzonder, maar hoort bij alle tijden. Het bijzondere zit hem in de reactie welke door Jezus wordt gegeven. Wat moeten we denken van het antwoord van Jezus? Op het eerste gezicht lijkt het er op dat Jezus niet ingaat op de vraag van de Grieken. Hij begint met een wat ingewikkeld verhaal over zijn uur dat is gekomen en over een graankorrel die eerst moet sterven om vruchten voort te brengen. Een prachtig beeld dat door de alledaagsheid niet zo moeilijk te pakken lijkt.

Als een graankorrel in de aarde wordt begraven, begint er een langzaam proces van afsterven. In dat stervensproces ontkiemt nieuw leven. Juist in deze tijd van het seizoen wordt er veel grond bewerkt, veel graanzaad in de grond gestopt. Van het zaad blijft weinig of niets meer over dan de aar, dan de vrucht welke begint te groeien. Een wonderlijk proces: sterven om te leven.

De vergelijking heeft in het evangelie van deze dag een diepere betekenis. Wil je Jezus volgen, dan is dat je weg. Je leven afgeven, je leven delen zodat het vruchtbaar kan zijn. Met wat andere woorden gezegd: als je leven je lief is houd je het niet enkel en alleen voor jezelf maar je zet het in met de gekregen en ontwikkelde mogelijkheden.

Jezus gebruikt de vraag van de pelgrims om iets te zeggen over zijn diepste roeping, zijn bijzondere en speciale opdracht. Het verhaal van vandaag laat weten dat echte ontmoeting met Jezus en met zijn vader op aarde nooit ervaren zal kunnen worden. Pas wanneer we in vrede zijn gestorven zullen we Hem van aangezicht tot aangezicht kunnen zien. Het is dan ook niet voor niets dat dit evangeliedeel zo kort voor Pasen wordt gelezen. Pasen is toch immers het feest waarop we vieren dat het leven  –  en dan heel nadrukkelijk geschreven met hoofdletters  –  sterker is dan de dood. Met Goede Vrijdag zullen we het sterven van de graankorrel gedenken, maar Pasen zal ons de zekerheid geven dat er uit de graankorrel leven zal komen.

Als we het verhaal van vandaag wat nadrukkelijker tot ons laten doordringen dan komen we denk ik allemaal wel tot van die voorbeelden van mensen die zich als een graankorrel willen prijsgeven, maar ook de keerzijde zal in voorbeelden aan ons voorbij trekken: mensen die zich per se willen handhaven. De ene manier leidt tot geluk, de andere waarschijnlijk tot isolement en verbittering. Je kunt leven met open handen of met dichtgeknepen vuisten. Alleen met open handen kun je goedheid zaaien en alleen met open handen kunnen we Gods handlangers zijn.

En er vallen heel wat voorbeelden te geven: jarenlange  trouw in mantelzorg als werkelijke thuiszorg of burenhulp. Geleidelijk accepteren dat de ene na de andere lichaamsfunctie uitvalt en uiteindelijk totale dementie optreedt. Ik mocht enkele weken geleden zo’n prachtig voorbeeld optekenen uit de mond van een kerkbezoeker in onze abdijkerk in Heeswijk: “Bijna twee jaar reed ik dagelijks naar het verpleeghuis om mijn vrouw te bezoeken en een beetje te helpen bij haar verzorging. Intussen is zij ruim een half jaar geleden gestorven. Ik ga nog wekelijks een paar keer naar het verpleeghuis om andere patienten te bezoeken en zo nodig de helpende hand toe te steken”. En dan die prachtige conclusie. “De jaren samen met mijn zieken vrouw”, zo zei de man, “zijn zo rijk voor me geworden dat ik die rijkdom een beetje wil delen met andere zieken”.
Zo wordt een gewone mens die zijn leven gaf, een vruchtbaar iemand, een christen van jewelste. Een graankorrel die in de aarde viel, en hoewel hij veel moest inleveren, heel vruchtbaar werd.

Wat open handen aan goedheid kunnen zaaien heb ik in de afgelopen maand mogen ervaren op mijn reis door India waar ik veel Norbertijnse projecten mocht bezoeken. Veel scholen met duizenden kinderen, kleine gezondheidsposten, en indrukwekkend de plek van ons vastenactieproject van dit jaar: Op een van de heuvels van Wayanad woont de Godavarikolonie, dichtbij de abdijgemeenschap van Mananthavady. Tussen de thee, koffie, peper, rijst  en katoenplantages wonen de armsten in onderkomens die het woord huis niet mogen dragen. Zonder sanitaire voorzieningen, zonder stromend water. Daar kun je met verhoudingsgewijs bescheiden financiele hulp veel  –  ontzettend veel  – betekenen.

Leven wij zoals Jezus ons heeft voorgedaan dan zal het geluk hand over hand toenemen en wordt Gods rijk meer en meer werkelijkheid. Dichtbij in dagelijks leven van zorg en bezorgdheid voor elkaar, verderweg, met een hand die geeft om menselijk leven dichterbij te brengen. Mag het ons lukken om in deze zin vruchtbaar te worden, te zijn en te blijven.

Denis Hendrickx o.praem
Abt van Berne