14-15 juli 2018: 15e Zondag door het jaar
Amos 7,12-15 en Marcus 6,7-13, B-Jaar
VERKONDIGING
Aan wie leggen wij verantwoording af? De profeet Amos, 8ste eeuw voor de geboorte van Jezus, werd bevraagd door een officieel aangestelde priester.
Wie ben je, wat ben je. Uiteindelijk hoorde hij: ga terug naar je eigen land!
En Amos blijft rustig en luistert naar het verhaal en zegt: dit is wie ik ben en dit is wat ik ben en zegt de Heer is mijn bron.
In de woorden van Marcus horen wij de opdracht die de leerlingen krijgen. “Ga en verkondig” of “wees geroepen en gezonden”. Jezus zegt hun hoe ze het moeten doen. Als men luistert of als men niet luistert. Met sandalen en staf gaan ze op weg. Twee aan twee. Een hoofd vol met verhalen, verhalen om te vertellen aan die ander over die ander. Duiveluitdrijving en geneespraktijken vonden dagelijks plaats. Het woord van de Heer was bij hun. Wilde het volk niet luisteren, schud het zand uit jouw schandalen en loop door.
Vrijdagavond zat ik na te tafelen met 2 prachtige jongemannen. Mannen die opgegroeid zijn in gezin waar God wel een plaats had. Voor deze jonge mannen heeft God nu geen plaats in hun leven. Het leven gaat gewoon door, is goed, en God heeft hier geen plaats. “Wij kunnen prima zonder hem”. Steken wel een kaarsje aan als ze in een kathedraal zijn. Voor oma; “dat God maar zijn best mag doen voor haar, want zij heeft altijd haar best gedaan voor Hem”. Een teken van geloof? De mannen zeggen van niet.
Ik neem het.
God is niet meer aanwezig in het leven van vele mensen, Gerard van Maasakker heeft ooit een liedje geschreven aan God. “Dat hij afscheid neemt van God” die God van hem was te vaak afwezig wanneer hij vond dat die God er had moeten zijn, dan kun je volgens Gerard maar beter afscheid nemen.
Hebben wij afscheid genomen van die God? Hebben wij die God nog in ons hart? Kan ik nog spreken over die God die groter is dan ik kan bedenken? God, God de God van Abraham en Isaak. De God van Jozef en David. De God van Johannes de doper en van Maria Magdalena, de God van U en van U en van U. Onze God.
Zijn wij nog op pad te sturen? Kunnen wij echt de wereld in trekken en spreken over onze God. “Hee Jan, we zijn geen getuigen!” “Wij gaan echt niet langs de deur, hoor!” en toch?
Waarom doen wij dat niet als wij het zo’n goede zaak vinden. Die Jezus was toch prima, de verhalen uit het oude boek zijn toch prachtige verhalen. Dus eigenlijk geen belemmering om het verhaal te vertellen. Wij kunnen toch gewoon getuigen van die God in ons leven?
Een moeilijk iets. Bidden in het openbaar is al spannend, een kruisteken aan tafel kan nog net. Het lijkt wel of er iets van schaamte op zit. Spreken over God doen we niet meer of we het vroeger wel deden weet ik niet zeker. De rituelen deden we zeker, ze waren helemaal thuis in onze wereld maar of we over God spraken?
De biecht was voor velen in herinnering een vreemde zaak. Wat moest ik toch als kind vertellen. Aan de haren van mijn zusje getrokken, uit de suikerpot gesnoept enzovoort. Als volwassen was er meer denkbaar maar wilde wij dat vertellen tegen die ongetrouwde man van God? Of spraken wij rechtstreeks met God?
De biecht is nooit afgeschaft maar wel in ongebruik geraakt. Is het spreken met God ook die weg gegaan?
Marcus spreekt van geroepen en gezonden worden. Zijn wij nog aanspreekbaar? Kan ik mijn hart openen voor dat wat ik niet kan zien, voor dat wat ik niet kan aanraken? Ik hoop het want onze God heeft nog steeds iets te zeggen. Zijn verhaal is de moeite waard om naar te luisteren, die boodschap van een nieuwe wereld is te verstaan. Gewoon je hart openen en zeggen “ik ben er” en gaan.
Want dat is wat wij kunnen doen. GAAN, op weg, tussen de mensen, naar de mensen en stralen want wij zijn dan Godsmensen. Geroepen en gezonden.
Amen.
Jan Claassen, participant Norbertijnen

