10 februari 2018: 6e Zondag door het jaar, Carnaval
Leviticus 13,1-2.45-46 en Marcus 1,40-45, B-Jaar
VERKONDIGING
Onrein, niet nabij, afstand zijn de eerste woorden die bij mij boven komen als ik de schriftlezingen vandaag lees. Maar ook direct komen Peerke Donders, fysiek contact en de stilte voorbij boven drijven.
Als je onrein bent, ben je een gevaar voor de gemeenschap. Huidvraat en of melaatsheid moest direct na vaststelling uitgezonderd worden. Weg bij mensen. Zie maar hoe je het stelt. Niet meer leven in gemeenschap. Een paria werd je, een uitgestotene. In die tijd was een huidaandoening bedreigend, de mogelijke besmettelijkheid zou funest kunnen zijn voor een familie, voor een stam. Dus weg ermee.
Onze goede vriend Peerke Donders kwam in Suriname aan en werd geconfronteerd met zieke medemensen die uit de gemeenschap werden geschopt. Zij waren melaats, vies, onrein. Moesten weg uit Paramaribo, moesten gaan wonen in de binnenlanden, ver de rivier op. Dan bleven zij, de stadbewoners, schoon. Opgeruimd staat netjes. Maar niet voor onze Peer. Hij ging mee. Verruilde zijn kerk voor een kerkje bij de zieke medemensen. Was er voor hun, hielp hun en was natuurlijk een man van de kerk en vertelde en sprak ze aan over goed en kwaad, over hoe kerkelijke regels zijn.
Peerke bleef, reikte uit, gaf een hand en liet de ander zijn.
Jezus bleef, reikte uit, gaf een hand, en liet de ander zijn. Zei tegen de aangedane: ga en laat je zien bij de priester, het gezag van die tijd, zodat je weer mee kunt doen in het leven. Geen uitzondering meer, nee een schoon mens.
Aids is/was ook een ziekte waarbij het gevoel van onreinheid meteen boven tafel komt. Mensen gingen op afstand, durfden de ander niet meer aan te raken, wilden eigenlijk beschermd zijn tegen deze ziekte. Vonden dat de zieken ook maar weg moesten gaan. Aids kolonies hebben wij gelukkig nooit gekregen. Meer inzicht in de ziekte zorgde ervoor dat wij verstandelijker met onze vooroordelen konden omgaan en dat zij, die aangedaan waren, gewoon onze buren konden blijven.
Wie is in deze dagen nog onrein? Welke mensen sluiten wij buiten? Wie sluit ik buiten?
Komende dagen zal er wat meer gekust worden, we vieren samen Carnaval, willen de ander ontmoeten en met de handen op de schouders van diegene die voor je loopt gaan wij het café door. Zingen, drinken, hossen en hebben plezier. Rangen en standen lijken minder te spelen, we willen elkaar ontmoeten. Ik denk dat er maar weinig mensen zijn die zich afvragen of die ander onrein is.
Maar die koortslip op donderdagochtend zegt dat er toch iets niet geklopt heeft. Wie was het? Wie was mijn bron? Ondoenlijk om na te gaan. Vervelend maar het waren leuke dagen.
Maar dan die andere dagen van het jaar? Kunnen wij zoals Jezus zijn. Een ander de hand opleggen en zeggen het is goed, ga maar. Jij bent geen uitzondering, jij bent een gelijke. Mijn wereld is jouw wereld.
Dat is wat Jezus ons voorhoudt in het Marcus evangelie van vandaag. Durven wij achter de regels te kijken, durven wij naast de ander te gaan staan. Los wat MEN ervan vindt. Hij deed het. Hij raakte de ander aan, hield zich niet aan de voorschriften maar koos voor de ander, de kleine, de aangedane, de mens die niet mocht zijn.
Hij daagt ons uit om ook te gaan staan en te doen. Hij wil dat we verder gaan dan het Tilburgse carnavals motto: Zot zo meuge. Nee Jezus zegt ons: ik zot mar doen!
Aan ons de handschoen op te pakken en niet weg te lopen maar te blijven en te zorgen voor hen die aangedaan zijn.
Amen.
Jan Claassen, participant Norbertijnen

