10 juli 2016: 15e Zondag door het jaar
Deuteronomium 30,10-14 en Lucas 10,25-37, C-Jaar
VERKONDIGING
Zo nu en dan zijn de lezingen die ons worden voorgehouden ons zó vertrouwd dat zij eigenlijk wel voor zichzelf kunnen spreken. De lezing van vandaag hoort daar zeker bij en toch is soms de actualiteit in onze grote wereld zo verwarrend dat je er niet zo goed raad mee weet.
Wat moet ik met de parabel van de Barmhartige Samaritaan als ik hoor hoe in Bagdad honderden, nee duizenden mensen rouwen om hun geliefden die omkwamen bij zelfmoordaanslagen.
Wat moet ik met de vrouw die zich afvraagt hoe zij en haar kinderen de rekeningen moeten betalen nu haar man is vermoord en hun winkel verwoest?
Waar is God op zo’n moment? Waar is Gods barmhartigheid te vinden?
Wat moet ik met beelden uit Dallas waar duizenden bewoners een vreedzame demonstratie hielden om aandacht te vragen voor de 150 zwarte mannen en vrouwen die in de afgelopen maanden zijn doodgeschoten door de politie?
Is hier niet iedereen slachtoffer?
Wat zeggen zulke gebeurtenissen ons over het verhaal van de gewonde man waar tempeldienaren aan voorbij lopen?
Dan maar liever op zoek naar al die verhalen waarin ons verteld wordt hoe mensen voor elkaar opkomen, elkaar ondersteunen, over menselijke humaniteit en waardigheid.
Over mensen die, niet naïef, maar vol realiteitszin, het goede doen en de wereld een stukje mooier maken. Iedere dag opnieuw, mensen van overal, van alle culturen en religies.
Als christenen zij wij opgevoed met de parabel van de Barmhartige Samaritaan, een verhaal dat als geen ander functioneert als een richtingaanwijzer op onze weg door het leven.
Het verhaal over de man die door rovers wordt overvallen en halfdood aan de kant van de weg ligt.
Of gaat het verhaal vooral over de tempeldienaren die het slachtoffer voorbijlopen en laten liggen?
Of over de vreemdeling, een man uit dat volk dat in de samenleving van toen met de nek werd aangekeken.
Deze Samaritaan onderbreekt zijn reis, verzorgt de wonden van het slachtoffer en brengt hem ook nog eens, op eigen kosten, naar een herberg om verder te genezen.
De kerkvaders, theologen uit de vroege kerk, leren ons dat in de gestalte van de Barmhartige Samaritaan Christus zelf op ons pad komt.
Hij treedt iedereen die gewond of beschadigd langs de levensweg ligt tegemoet met zijn barmhartige liefde.
De gewonde, verstotene, de gevluchte, de dakloze, de zoekende, de zieke mens, in de richting van die mens gaan de voetsporen van Jezus, iedere keer weer.
Zijn levensweg is de weg van barmhartigheid, tot op het kruis. Gods barmhartigheid vraagt om een menselijk antwoord. Geen medelijden, maar medeleven, doen wat gedaan moet worden.
Een weg die in onze samenleving gezien, herkend wordt. Kijk maar eens om ons heen, hoevelen zijn er niet die anderen opzoeken.
Om een school te bouwen in landen waar kinderen worden opgeofferd aan kinderarbeid.
Om in de wereldwinkel producten te verkopen waarvoor de boeren en de makers een eerlijke opbrengst krijgen.
Om maatje te worden van een vluchteling die een plaatsje zoekt in ons land.
Om zieken te bezoeken en hen mogelijkheden te geven om te doen wat niet mogelijk lijkt.
Misschien mogen we wel zeggen dat de parabel die wij vandaag hoorden is ingegeven door het verleden én door de toekomst.
Kijk maar eens naar de lezing uit het boek Deuteronomium die wij vandaag hoorden. Het boek waarin de grote toespraak van Mozes staat opgetekend vlak voordat zij het nieuwe land intrekken: ”Wat er ook gebeurt: Blijf trouw en vertrouw je met hart en ziel toe aan de God van het Verbond”. Zijn leefregels leiden ons naar een land dat doortrokken is van barmhartigheid die tot gerechtigheid leidt. Zijn leefregels zijn niet te zwaar en liggen niet buiten ons bereik.
Ze zijn goed te doen.
Als de wetgeleerde eeuwen later aan Jezus vraagt wat je moet doen om het eeuwige leven te verkrijgen, verwijst Jezus naar die woorden uit Deuteronomium:
“Heb de Heer uw God lief met heel uw hart en met heel uw ziel. Met heel uw kracht en met heel uw verstand. En uw naaste als uzelf.”
Het is goed te doen!!!
Levenslessen die nog iedere dag van waarde zijn, zo vertelt ons ook de oud politicus Bas de Gaay Fortman. Volgend jaar wordt hij 80 jaar oud en hij gruwt bij het idee om zijn memoires te schrijven.
Liever schreef hij een boek over ‘de eeuwige beginselen’ die aan het begin van onze beschaving, van iedere samenleving horen te staan.
In dat boek haalt hij een mooi citaat aan: “Wij zijn geen mens om christen te worden, maar christen om mens te worden.”
Het christendom is een pad, zoals ook andere religies een pad kunnen zijn naar menselijke waardigheid en beschermwaardigheid van de wereld waarin wij leven.
De Gaay Fortman verwijst naar het boek Handelingen als hem de vraag wordt gesteld of hij zichzelf christen noemt: ‘Het boek Handelingen wordt geschreven over christenen die dingen doen die kennelijk diaconaal zijn, die het welzijn van de gemeenschap bevorderen’.
En dan staat er: ‘Vanaf dat moment worden deze mensen christenen genoemd’.
Zij noemen zichzelf geen christenen. Het zijn anderen die hen die naam geven, het is de samenleving om ons heen die ons ziet als volgelingen van die man uit Nazareth, van Jezus de Christus, de God Mens die aan de kant gaat staan van ieder mens die voor korte of lange tijd niet mee kan komen op de weg door het leven.
In zulke mensen, mensen die zo handelen, herkennen wij Christus, herkennen wij God.
Amen.
Thea van Blitterswijk, participant Norbertijnen

