Bidden

6 maart 2016: 4e Zondag van de Veertigdagentijd

Jozua 5,9a.10-12 enLucas 15,1-3.11-32

VERKONDIGING

De gevolgen van natuur- en oorlogsgeweld raken mensen wereldwijd. In het puin zien we mensen zoeken naar dierbaren waarvan elk spoor ontbreekt. In de verschillende opvangcentra voor vluchtelingen kun je hartverscheurende verhalen optekenen: kinderen die tijdens de vlucht letterlijk hun ouders, hun dierbaren, uit het oog zijn verloren. Voortdurend zal de vraag opkomen: zullen we elkaar ooit weer zien? De beelden van ontredderde mensen en hulpeloze kinderen maken ons stil. Hoe is het mogelijk en God waar ben je nu zijn dan regelmatig gevoelde gedachten en gedachte gevoelens welke bij je opkomen.

In de geloofsbelijdenis welke we regelmatig in ons vierend samenkomen uitspreken of uitzingen laten we ons vertrouwen in God horen: “Ik geloof in God de almachtige vader, schepper van hemel en aarde”. We bidden om Gods nabijheid te voelen. We ervaren dat we niet alleen zijn. We spreken ons geloof uit, maar we roepen vanuit het diepste van onszelf God aan, als we in nood verkeren.

In diepe nood  –  zo weten we uit de Bijbelse vertelling  –  deed ook Mozes ooit een dringend beroep. Toen hij met Godsvolk in de woestijn rondtrok, zonder drinken, zonder eten en niet wetend waar ze naar toe zouden moeten gaan. Op de oproep van Mozes reageert God dan. In het boek Exodus 3,7 (uittocht) staat het aldus geschreven: “Ik heb de ellende van mijn volk gezien. Ik heb hun jammerklachten gehoord. Ik daal af om mijn volk te bevrijden”.  Vanaf toen was God geen vreemde meer.

Heel mooi en beeldend wordt het zoeken van God naar ons weergegeven in het evangelieverhaal dat we zojuist hebben gehoord. Dat verhaal van de vader en zijn twee zonen. Uit eigen beweging is de jongste zoon uit huis weggegaan en de wijde wereld ingetrokken. Met de erfenis van zijn vader heeft hij goede sier gemaakt. En dan gaat het zeker niet om een erfenis in financiële zin. Hij heeft over de wereld kunnen zwerven. Hij heeft zelf zijn leven mogen leven. Hij zoekt zijn toekomst in een vreemd en ver land. Hij probeert allerlei nieuwe dingen uit.  Zijn toekomstverwachtingen komen niet uit. Het lukt hem niet de kost werkelijk te verdienen en zijn droom te verwezenlijken. En dat alles terwijl hij er achter komt dat het in zijn oorspronkelijke thuisland goed gaat. In het land van zijn vader is voedsel in overvloed en heeft het er veel van weg dat zijn toekomstverwachtingen wel gerealiseerd kunnen worden. In uiterste nood  –  niet meer wetend waar naar toe  –  steekt hij zijn hand in eigen boezem  en snakt er naar terug te keren naar de oorsprong. Daar waar het begonnen was, maar toen te bekrompen leek.

Door terug te keren naar die oorsprong gaf de jongste van de twee zonen toe dat hij was weggevlucht voor het leven, weggevlucht voor zijn opdracht, voor zijn vader, voor God. In dat besef kon de terugkeer naar huis beginnen. De barmhartige vader stond hem op te wachten. Hij hoefde zich niet te verontschuldigen. Hij werd met open armen , heel gastvrij ontvangen door een overgelukkige vader. Hij werd in nieuwe kleren gestoken en met sieraden omhangen. Het beste kalf werd geslacht en er werd volop feest gevierd: de verloren zoon was teruggekeerd.

Door de blijdschap over de jongste zoon voelt de oudste zich duidelijk op een tweede plaats gezet. Voor hem is er immers nooit een feest geweest terwijl hij er altijd was. Maar het verhaal van deze dag laat ons weten dat de vader ook de oudste zoon nadrukkelijk verwelkomt en niet in zijn aanvankelijke wrok laat zitten.

Een beeldend verhaal dat ons voorhoudt hoe God naar ieder van ons kijkt. Als wij vinden dat God afwezig is, is het omdat wij ons van God afwenden. Nog voor we hem ook maar zouden kunnen vragen onze tekorten weg te nemen, heeft Hij ons al vergeven en tegelijk een nieuwe kans gegeven op een gelukkig leven.

Laat God de mensen bij grote rampen dan in de steek? Zo blijft een prangende vraag op onze lippen branden. God laat ook hen niet in de steek. Als iemand hen in de steek laat, zijn wij het. God heeft geen andere handen dan de onze. God heeft geen andere voeten dan de onze. God heeft geen andere oren dan de onze. Elk moment van de dag roept God ons op om uit te zien naar een medemens in nood, te luisteren naar mensen die in gevaar verkeren. En in deze 40 dagen tijd geldt dat heel speciaal voor de roep vanuit India om daar meer en betere levenskansen te gunnen en heel concreet mee te realiseren.

God nodigt ons uit te doen als Hij. Nog voordat anderen ons om vergeving vragen, hen al vergeven. God wil dat alle mensen geluk vinden. Hij laat niemand alleen.
In het evangelie van deze dag verwelkomt God de jongste Zoon die verloren leek. Tegelijk verwelkomt God de oudste zoon die zichzelf dreigde te verliezen in wrok. Met liefde verwelkomt de vader beide zonen en wijst hen de weg van een leven in verbondenheid. Zo kunnen mensen elkaar terugvinden en liefhebben.
Amen.

Abt Denis Hendrickx o.praem