Preek op het Hoogfeest van Hemelvaart van de Heer
Donderdag 13 mei 2021, jaar B
Door: abt Denis Hendrickx o.praem.
Lezingen: Handelingen 1,1-11; Efeziërs 4,1-13; Marcus 16,15-20
Midden in de week vieren we het hoogfeest van Hemelvaart. Voor de meesten betekent Hemelvaartsdag vooral het begin van een extra lang weekend. Niets minder maar ook niets meer. Ook een aantal christenen in het Nederland van vandaag loopt niet echt warm voor het feest. De laatste jaren konden we constateren dat het kerkbezoek overal lager was dan op een gemiddeld weekend. Corona maakt het dit jaar nog extra minimaal, want we mogen maar met 30 fysiek samenkomen in onze abdijkerk. Overigens beter dan vorig jaar toen we enkel online met elkaar verbonden konden zijn. Het coronavirus blokkeert nog steeds als onzichtbare tegenstander heel wat zaken, zoals ook samenkomen om uitbundig te vieren. Het virus verhindert dan ook een feestelijke viering waar ook samen gezongen kan worden van de thuiskomst van Christus bij de bron van waaruit Hij leefde.
Hemelvaart heeft iets van het weggaan. Aan de ene kant is er de verbazing bij de leerlingen, de verbijstering dat Jezus er niet meer is. Dat was al vanaf de kruisdood zo. Hij was er niet meer, hij was hun op een afschuwelijke manier ontnomen. Wat moesten ze nu? Hoe kon het verdergaan? En misschien ook: wat is er van Hem geworden, van die doodgemartelde mens die hen zoveel gedaan en gegeven had?
Een grote vraag blijft branden: waar is Hij dan, als Hij er niet meer is en toch ook wel? Voor mensen in die eerste tijd van het christendom was dat niet zo’n dringende vraag als het misschien voor ons is. ‘Is er wel iets na of achter de dood’, die eigentijdse vraag stelde men zich niet. Het is allemaal niet zo duidelijk want ook de Schrift stamelt slechts over de plek waar God woont, en noemt dat ‘hemel’. Bij de hemel hoort dat je er niet in kunt kijken, zoals je ook God niet in het gezicht kunt kijken. De hemel wordt aan het oog onttrokken door de wolken en het peilloze blauw. Van Jezus wisten zijn leerlingen één ding zeker: de mensen hadden hem laten vallen, maar God zeker niet. De echo van dat besef klinkt door in het verhaal over hemelvaart: Jezus wordt opgeheven, en een wolk onttrekt Hem aan het oog. Hij is bij God, in dezelfde sfeer waar God woont. Het licht waarin God woont en vermoed wordt, daar kun je niet in kijken. Dat licht schijnt over je, het glanst, het is een lamp voor je voeten.
Daar begint de ommekeer. Ze moeten een andere kant op gaan kijken. Hij is weggegaan met afscheidswoorden en wel. Zij hebben heel duidelijk de estafettestok van Hem doorgegeven gekregen. De twee gedaanten in witte kleren schudden als het ware aan hun schouders: die kant op, richting wereld. ‘Waarom staren jullie naar de hemel?’ Over Jezus kun je gerust zijn; ja sterker nog, Hij komt terug. Op hemelvaart klinkt als een retorische vraag: ‘Wie is er aan de beurt’. En de beide teksten van vandaag zeggen tegen de leerlingen: Nu zijn jullie aan zet. Jullie moeten gaan voortzetten wat Jezus begonnen is om van deze aarde een leefbare aarde te maken, een aarde die zo is, zoals het van de schepping bij herhaling in het boek Genesis wordt gezegd: ‘En God zag dat het goed was’. Hemelvaart is niet: van de aarde wegraken. Het is in de richting leven van een beetje meer ‘hemel op aarde ‘.
In het evangeliegedeelte van Marcus worden vandaag indrukwekkende tekenen voorgehouden. En het meest fantastische lijkt me de lef en het vertrouwen van de leerlingen te zijn, hun geloof in de werking van zelf eenvoudige en kleine bijdragen aan een beetje meer leefbaarheid en genegenheid en geduld en troost op onze aarde. Wie het daarmee waagt, met dat geloofsvertrouwen, die is als Jezus bezig. Zo iemand laat zijn of haar beurt niet voorbijgaan, die springt erin, in het grote avontuur van God met zijn mensen. In Jezus waren de eenvoud en de kracht daarvan zo helder als wat. Nu zijn wij aan de beurt om de eenvoud en de helderheid ervan voort te zetten en zichtbaar te maken. Wat mooi dat het juist met deze boodschap volgende week ‘Laudato Si ‘week is. Paus Franciscus roept ons op om met respect en eerbied om te gaan met de aarde en de armen. Een ommekeer realiseren gericht op het behoud van de schepping, op het verbeteren van de levensomstandigheden van de zwaksten en op het welzijn van de generaties die na ons komen.
De eerste leerlingen die getuigen zijn van de thuiskomst van Jezus bij de Vader, mogen niet naar boven blijven staren. De blik moet niet naar boven gericht blijven maar naar voren worden gericht. Het gaat om de toekomst. De levende Christus wil dat zijn leerlingen het Evangelie niet verborgen houden. Zij worden de wereld in gezonden om het Goede nieuws te vertellen. De huidige crisis welke al weer ruim een jaar ons dagelijks leven ontregelt maakt velen van ons onzeker en bang. Er is angst voor ziekte, eenzaamheid, economische malaise. Maar de geest wil ons moed en veerkracht geven. Gelukkig de mens die juist in deze coronatijd zijn hoofd opricht en zelfbewust kijkt naar de toekomst. Het leven is voor verreweg de meeste mensen uitermate onzeker. Laten we uitzien naar de pinkstergeest. Negen dagen heel diep adem halen en dan is het Pinksteren: Go, de wereld in.

