Preek op Witte Donderdag

Donderdag 9 april 2020, jaar A
Door: abt Denis Hendrickx o.praem.
Lezingen: Exodus 12,1-8.11-14; 1 Korintiërs 11,23-26; Johannes 13,1-15

Aan het einde gebeuren soms heel bijzondere dingen. Van het einde blijven soms heel speciale momenten bij. En dat zal zeker in deze dagen gelden nu einde van leven en afscheid nemen zo ongewoon anders moet plaatsvinden. Dat alleen al maakt de onwerkelijkheid nog groter. Zo kan er aan het einde van een gesprek iets totaal onverwachts gebeuren. Iemand gaat weg, maar bij de deur – met misschien de deurknop al in de hand, draait hij of zij zich nog een keer om en zegt dan iets dat misschien belangrijker is dan alles wat tevoren in het eigenlijke gesprek is gezegd: ‘O ja, wat ik nog zeggen wilde…’een voornaam aspect of misschien het voornaamste is tot het laatste bewaard. Het is blijkbaar van groot belang. Hoe vaak heb ik zo’n moment niet meegemaakt als ik families bezocht rond het overlijden van een dierbare.

Soortgelijke erkenning of gevoelens zijn er ook bij het afscheid van iemand die weet dat hij of zij gaat sterven. Ook dan zijn er menigmaal van die kostbare momenten. Het dierbaarste wat iemand nog zou willen zeggen, komt ineens naar buiten, wordt toevertrouwd. Rondom een ziekbed willen dierbare naast-staanden elk woord horen en elk gebaar in zich opnemen. Soms is het een heel zacht, bijna onverstaanbaar gefluister. We willen het niet missen. En wat moet het dan – zoals in deze dagen een hard gelag zijn als het niet kan en mag. Soms wil een stervende nog niets meegeven voor de achterblijvenden in de vorm van een laatste advies: ‘Houd vast waar ik zelf altijd zo graag in heb willen geloven en waaraan ik met hart en ziel heb gewerkt ‘. Het gaat dan meestal over dienstbaarheid, over verbonden blijven met elkaar, over de bereidheid om met elkaar in gesprek te blijven, over een ultieme oproep om elkaar niet uit het oog te verliezen en op elkaars spoor te blijven. En zoiets meemaken, van zo’n moment getuige mogen zijn: het blijft je bij, het is zo kostbaar je ervaart het als geluk.

En zo’n laatste woord: het gaat niet zelden gepaard met het geven van dierbare dingen, sieraden of bepaalde lieve herinneringen. Aan zo’n sieraad zit voortaan een belangrijke herinnering, een nauwelijks met woorden te beschrijven gevoelen lijkt er mee verbonden. En hoe vaak vertellen we het elkaar niet als nabestaanden – jaren nadien nog – wat de overleden vader of moeder, echtgenoot of echtgenote, vriend of vriendin, zoon of dochter, bij het afscheid nog heeft gezegd of gedaan. Het blijft een levende getuigenis. Telkens als het weer naar boven komt, komt het weer tot leven: niet als een dwingend gebaar, maar als een levend voorbeeld tot navolging. En ook als het einde onverwachts kwam, gaan nabestaanden zo’n laatste dag helemaal na. Er is een indringende behoefte om zo’n laatste uren van minuut tot minuut een plaats te geven in gedachten en gevoelens.

Het evangelie van deze avond is eigenlijk niet meer en niet minder. Jezus laat zijn testament achter. Hij geeft daarin zijn leerlingen en ons mee wat hemzelf dierbaar was. Hij spreekt over ruimte die God biedt voor ieder mens, over troost van de Geest die wij zullen ontvangen. Hij verbindt daaraan een gebaar van dienstbaarheid tot het uiterste. Doen wat Hij gedaan heeft is zeker op deze avond onze behoefte om de herinnering aan hem levend te houden: brood reken en de beker doorgeven aan elkaar.

Brood en beker als teken ter gedachtenis maar ook het teken om nadere vragen bij onszelf op te roepen: Hoe zouden wij, u en ik, zoals wij nu leven, Jezus willen gedenken. Wat zouden we het liefste van hem willen bewaren, wat zouden we in herinnering willen roepen en een plaats willen geven in ons leven. Welk beeld hebben we van Hem en wat is ons dat waard? Jezus gedenken kan volgens mij op zijn best als wij voor elkaar en voor anderen doen wat Hij voor ons gedaan heeft. Het is onze bestemming om mens te worden die liefde kan geven en ontvangen. Dat geeft ons leven uiteindelijk zin, glans en waarde. En in deze dagen – op grotere afstand van elkaar – krijgt die verantwoordelijkheid een bijzondere dimensie. Sinds oude tijden zingen we op Witte Donderdag – en wij zullen dat dadelijk aan het einde van deze viering ook doen – ‘Daar waar vriendschap is en liefde, daar is God’. Wanneer wij elkaar van dienst zijn wordt dat rijk waar vrede is en vriendschap zichtbaar en krijgt het handen en voeten.