Preek op het Hoogfeest van Christus Koning

Zondag 22 november 2020, jaar A
Door: prior Frank van Roermund o.praem.
Lezingen: Ezechiël 34, 11-12.15-17; 1 Korintiërs 15,20-26.28; Matteüs 25,31-46

In tijden van crisis heeft iedereen behoefte aan duiding en zingeving. Tegenwoordig doen wetenschappers dat, journalisten en politici enz. In het Oude Israël waren dat de profeten. Zij legden uit waarom het was misgegaan, waardoor het zover had kunnen komen, en ook: hoe het volk het rechte pad weer kon hervinden. Profeten spraken soms harde, confronterende woorden, maar vaak ook woorden van hoop waaraan men zich kon optrekken.

In het bekende hoofdstuk 34 van de profeet Ezechiël – waaruit we in de Eerste Lezing twee kleine stukjes hebben gehoord – zien we dit gebeuren. Ezechiël schrijft in de tijd van de Babylonische Gevangenschap, in de 6e eeuw voor Christus. Het volk is vanuit Israël gedeporteerd naar Babel, is ontworteld en terneergeslagen. De leiders worden door God, bij monde van Ezechiël, als onbetrouwbare profiteurs afgeschilderd. Zij hebben gefaald. Zij zijn als herders die hun schapen niet goed hebben geleid. Daarom kondigt God aan nu zélf voor zijn schapen, voor zijn mensen te gaan zorgen en hen in veiligheid te brengen, hoe ver ze ook zijn afgedwaald. De leiders worden afgeserveerd. Maar … vanaf vers 17 zien we: de kritiek van Ezechiël beperkt zich niet tot de leiders alléén! In de kudde, tussen de mensen onderling, zal er strijd zijn. Vette schapen zullen de sappige weiden afgrazen en plattreden ten koste van de magere. God – zo zegt Ezechiël – zal zich daarom opwerpen als rechter tussen het ene schaap en het andere. Hij zal over hen één herder aanstellen die hen weiden zal: zijn dienaar David.

Hier nu ligt een parallel met het Nieuwe Testament waarin Jezus als Zoon van David wordt aangeduid, hetgeen synoniem is voor de Messias, de Christus. Waar David als koning werd aangesteld over het volk Israël, wordt Christus aangesteld als koning over de gehele mensheid. David leidde zijn volk tot eenheid en welstand als een betrouwbare herder. Christus op zijn beurt zal allen die hem volgen leiden naar grazige weiden, naar de gelukzaligheid die geen einde neemt, naar het Koninkrijk van zijn Vader. Hij noemt zichzelf dan ook de Goede Herder. Maar hem volgen betekent ook: dóen zoals Hij doet. Als Christus hen die honger hadden te eten gaf, moeten wij dat óók. Als Christus hen die dorst hadden te drinken gaf, moeten wij dat óók. Als Christus in het bijzonder zorg droeg voor vreemdelingen, zieken en gevangenen, moeten wij dat óók. Sterker nog: telkens wanneer wij goed doen aan onze naasten, doen we goed aan Christus zélf. Jezus zegt: ‘al wat gij gedaan hebt voor één dezer geringsten van mijn broeders, hebt gij voor Mij gedaan’.

En let wel: niet alleen de bokken aan de linkerhand wisten niet dat ze ín de noodlijdenden Christus hadden ontmoet, óók de schapen aan de rechterhand – de rechtvaardigen – wisten het niet! Met andere woorden: handelen zónder bijbedoelingen, zónder aanspraak denken te kunnen maken op een hemelse beloning, geeft blijk van de juiste instelling. Dat betekent dus heel concreet: ook zij die niét geloven en tóch goed doen zullen hiervoor rijkelijk worden beloond.


Volgende week begint de Advent, de periode van vier weken van verwachting. We verwachten de komst op aarde van Jezus, de langverwachte Messias.

Nu vandaag, op het einde van het kerkelijk jaar, op het hoogfeest van Christus Koning, spreekt de evangelielezing óók van verwachting, maar dan van verwachting van de wéderkomst van Christus. Traditiegetrouw wordt dit aangeduid met het ‘einde der tijden’. Maar of we dit letterlijk moeten zien als het einde van de wereldgeschiedenis is maar de vraag… Zou de wederkomst van Christus niet kunnen samenvallen met het moment van sterven van ieder van ons afzonderlijk? Het is immers maar de vraag of ons begrip van ruimte en tijd nog betekenis heeft óver die grens van de dood. Nu kunnen we ons daar niets bij voorstellen, maar als het moment dáár is zouden verleden, heden en toekomst wel eens kunnen samenvloeien als niet langer te onderscheiden druppels in één grote oceaan.

Ook de heilige Schrift geeft – zéker bij de evangelist Johannes – aanleiding tot dit soort bespiegelingen. Het koninkrijk de Hemelen is er nú al, het is midden onder ons. Wie gelooft wordt nú al geboren in dat nieuwe, eeuwige leven…

Iedereen die zijn hart laat spreken zal het in het dagelijks leven kunnen herkennen: Wie goed doet aan zijn naasten, wie werken van barmhartigheid doet, ervaart nú reeds intens geluk en voldoening, teken van een tijdloos binnentreden in dat Rijk van God.