Preek op het Feest van de Doop van de Heer

Zondag 10 januari 2021, jaar B
Door: prior Frank van Roermund o.praem.
Lezingen: Jesaja 55,1-11; 1 Johannes 5,1-9; Marcus 1,7-11

Vandaag vieren we het Feest van de Doop van de Heer:
het einde van de Kersttijd en begin van Jezus’ openbare leven.

Als we de feesten van de afgelopen weken als één groot openbaringsfeest zien, dan past Doop van de Heer heel goed in dat rijtje: In de Kerstnacht openbaart God zich in de geboorte van een bijzonder kind: Jezus, de Messias. In éérste instantie alléén nog aan de minsten der aarde, de herders. In de dagmis van Kerstmis wordt het accent verlegd naar de betékenis, de latere theologische doordenking van deze bijzondere geboorte: de menswording van Gods Woord. En op Driekoningen wordt het blijde nieuws van de Kerstnacht verbreed tot álle volkeren op aarde, voor wie de Wijzen uit het Oosten symbool staan. Vandaag dan tot slot komt de aandacht te liggen op het startsein van Gods openbaring in Jezus’ spreken en handelen. Tot aan vandaag dus één groot openbaringsfeest.

Gods spreken en handelen in de persoon van Jezus is waar het in de verkóndiging van de Blijde Boodschap natuurlijk uitéindelijk om draait. En dat alles begint bij Jezus’ doop. Als kind heeft Jezus immers niet tot ons gesproken. Ook niet als opgroeiende jongeman in Nazareth. Alléén Lucas vertelt ons iets over Jezus’ tienerjaren, namelijk dat zijn ouders Hem op twaalfjarige leeftijd kwijt zijn, en hem na drie dagen terugvinden in de Tempel, waarop Jezus voor het éérst in de Schrift stem krijgt en zegt: ‘wisten jullie dan niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?’ Gods spreken en handelen in de persoon van Jezus start dus eigenlijk met de doop. En precies hiér begint dan ook het evangelie volgens Marcus.

Marcus, het oudste evangelie, is zo héérlijk compact. Hij valt helemaal in het begin met de deur in huis: ‘Begin van de Blijde Boodschap van Jezus Christus, de Zoon van God’. Dát is zijn getuigenis, dát is zijn program. Meteen al na die eerste zin verhaalt hij over Jezus’ doop in de Jordaan. Geen kind-verhalen dus, geen inleidende vertellingen, maar meteen door naar de kern: Jezus’ spreken en handelen. Jezus’ aardse missie is nu echt begonnen en zal pas zijn voltooiing vinden bij zijn sterven aan het kruis. Dan zal Marcus opnieuw spreken van een ‘openscheuren’, maar dan van het voorhangsel in de Tempel. En opnieuw zal dan een stem klinken, maar dan die van de honderdman die getuigt: ‘Waarlijk, deze mens was een Zoon van God’. Hiermee grijpt Marcus terug op het getuigenis waarmee hij zijn evangelie begonnen was. En zo is de cirkel rond. Eén grote spanningsboog van doop tot sterven.

Doop en sterven omspannen ook óns leven, als gedoopten, als volgelingen van Christus. Met de doop immers stellen wij ons ten doel het goede na te streven door Jezus na te volgen op ónze levensweg. Mét vallen en opstaan. Doop is – zo bezien – geen éénmalige gebeurtenis, maar een levenslange opdracht die pas bij ons sterven tot voleinding wordt gebracht.

Marcus markeert het startpunt van Jezus’ openbare leven, zijn doop, met een drievoudige beeldspraak: het openscheuren van de hemel, het neerdalen van Gods Geest en een stem uit de hemel die zegt: ‘Gij zijt mijn Zoon, mijn Veelgeliefde, in U heb Ik welbehagen’.

Zou deze beeldspraak ook voor óns leven iets kunnen betekenen?

Wel, ik heb in mijn 12,5 jarig priesterschap veel kindjes mogen dopen. En ik moet zeggen: ja, ik heb in de ogen van jonge ouders, peetouders en familie waarlijk geluk zien stralen. Is dit niet óók een ‘openscheuren’ van het aardse naar het hemelse? En Gods Geest? Ervaren we die op zo’n moment niet zintuiglijk aanwezig in de héérlijke geur van het chrisma? En die stem? Wel, méér zelfs dan in hun spreken laten ouders in hun teder glimlachen en geknuffel zien hoezeer zij van hun kindje houden, hún veelgeliefde!

Ik zei het zo-even al: de doop is geen éénmalige gebeurtenis maar een levenslange opdracht. Misschien mag dit voor ieder van ons een aansporing zijn om misschien júist in deze moeilijke tijden – waarin woorden vaak geweld en vernieling veroorzaken, en waarin velen door de corona pandemie geïsoleerd raken –  woorden van vriendschap en liéfde te spreken, en zo voor elkaar steeds opnieuw Gods stem laten klinken die zegt: ‘Jij bent mijn veelgeliefde zoon, mijn veelgeliefde dochter, in jou verheug Ik mij!’