Preek op de 6e Zondag door het jaar
Zondag 14 februari 2021, jaar B
Door: Joost Jansen o.praem.
Lezingen: Leviticus 13,1-2.45-46; 1 Korintiërs 10,31-33;11,1; Marcus 1,40-45
Corona houdt ons in de ban,
afstand houden als het kan,
want onrein kan ieder zijn,
het virus is zo snel, zo klein.
De melaatsheid van die ene mens
– genezen worden is zijn wens –
ons allen heeft geraakt, nu collectief,
met zoveel angst en zoveel ongerief.
Mozes heeft ons eens gezegd
– hij onze Meester en ’s Heren knecht –
dat duidelijk voor ieder is,
het gaat bij aanraking zeker mis.
Zou Jezus in ons midden zijn,
waarom niet vragen: maak ons rein,
maar waar is Hij?, ik voel Hem niet,
misschien komt Hij, in een ver verschiet?
Ik zal toch heel wat moeten leren,
om mij tot Hem te willen keren.
Hij is er maar ik ken Hem niet,
midden onder ons is Hij, voor wie Hem ziet.
Hij spreekt: wordt rein naar lijf en leden,
niet iets van vroeger, maar nu, heden,
want ieder draagt toch ook zijn smetten,
maar dat kan zijn liefde niet beletten
om ons aan Hem en aan elkaar te binden,
zo doet God dat met zijn beminden,
we weten hoe kwetsbaar liefde wordt geleefd,
close harmony wordt zelden beleefd.
Afstand doet de liefde groeien
Valentijns bloemen kunnen bloeien
wanneer de afstand wordt gerespecteerd
en zó echt ontmoeten wordt geleerd.
Zo kan ‘t virus ons veel leren
over hoe relaties te beheren
in afstand en nabijheid: toch samen
dit wankel evenwicht fier beamen.
Redt het vaccin ons niet allemaal?
Twee prikken: terug naar het ‘normaal’?
Dan hebben we niets geleerd van deze tijd
en vallen terug in onverschilligheid.
Carnaval dit jaar zal ons dan leren
het moet wel, hoor je t’elken keren
over hoe je blijft verbinden digitaal
tot we toe zijn aan dat ‘andere normaal’.
Als melaatsen zijn we tot elkaar veroordeeld,
en de genezene is ons tot voorbeeld,
die toch ook de priester honoreerde
en tot de Blijde Boodschap zich bekeerde.
Heer, maak toch mijn ogen open
wáár ik mijn smet heb opgelopen
én waar ik genezen wordt door uw genâ
zodat ik vrij in uw ontferming sta.

