Preek op de 33e Zondag door het jaar

Zondag 15 november 2020, jaar A
Door: Joost Jansen o.praem.
Lezingen: Spreuken 31,10-13.19-20.30-31; 1 Tessalonicenzen 5,1-6;Matteüs 25,14-30

Talenten, schatten, toevertrouwd geld of bijzondere gaven die mensen hebben gekregen: al deze mogelijkheden worden benut wanneer we het hebben over deze prachtige parabel. Paus Franciscus heeft deze zondag de ‘Dag van de armen’ genoemd als opmaat voor volgende week waar in het evangelie gezegd wordt: ‘Wat ge aan de minsten der mijnen hebt gedaan hebt ge aan Mij gedaan.’

De meeste overwegingen op deze evangelielezing van de talenten worden gehouden vanuit een comfortabele positie: je bent niet arm, je hebt voldoende geld om rond te komen. Ik heb dan wel gelofte van armoede afgelegd maar daardoor behoor ik niet tot de doelgroep van deze zondag van de armen.

Hoe zou zo’n verhaal aankomen bij iemand die werkelijk arm is, niet zomaar wat krap bij kas, maar echt arm. Waar denk ik dan aan? Ik ben deze mensen nabij o.a. ook door Schuldhulpmaatje. Het is geen pretje om constant veel te weinig geld te hebben. Met € 50,- per week kan ik als alleenstaande moeder met drie kinderen nog iedere avond voldoende eten op tafel zetten? Een vrouw vertelt me: ik heb drie maanden alleen op pannenkoekenmeel geleefd, dat was het goedkoopste. Ik was met een jong stel zonder uitkering bij de COOP hier in het dorp: ‘Laad je karretje maar vol.’ Ze wisten precies waar de goedkoopste levensmiddelen stonden. Ik moest ongeveer € 60,- betalen. Een parochiaan zag me bezig en stopte me stiekem € 50,- in de hand. Om van talenten te spreken! Het ergste van armoede is dat het je hele denken in beslag neemt, het risico is dan groot dat je verkeerde beslissingen neemt. Ik begrijp Jezus best dat Hij streng is voor die mens met dat ene talent, en toch, misschien was die man er helemaal nog niet aan toe om buiten zichzelf te denken. Ik word hierin hoe langer hoe voorzichtiger.

Toch heb ik vanuit mijn eigen praktijk voldoende voorbeelden waar echt arme mensen het talent van delen laten zien. Lang geleden toen er in Parijs nog echte clochards waren (ze zijn nu weggesaneerd en dus ondergronds en dus moeilijker te helpen) zag ik hoe er een wat sandwiches kreeg en onmiddellijk deze deelde met een compagnon. Op honderd meter van onze abdij leefde een man van rond de veertig slechts op pils. Hij nam echter wel een stel in huis dat in de winter geen dak boven het hoofd had. Dat is delen onder armen. Ik zie ook dat wanneer mensen uit de armoede komen, vaak na drie tot vijf jaar, er onder hen zijn die deze ervaring omzetten in engagement voor anderen. Ze hebben wat talenten – vijf of twee – gekregen, ze zijn uit de shit geraakt en nu zijn ze verantwoordelijk gemaakt voor andere, vroegere, lotgenoten. Een jonge vrouw zei me: ‘Mijn vader, kan nu weer trots op me zijn.’ Ontroerend. En dan kan je ineens rond Kerstmis een mailtje krijgen van mensen die na vijf jaar je laten weten dat ze weer op de rails zitten en bedanken. De ogen, oren, hart en handen zijn weer naar buiten gericht. Dat stel komt er wel.

We hebben genoeg overwegingen gehoord vanuit een min of meer luxe positie. Ik moet eerlijk toegeven dat wanneer ik dan dichtbij deze mensen probeer te komen, nooit zelf aan den lijve ben beproefd op dit terrein. Bij alle verhalen in de media over fraude hier en gesjoemel daar, blijft de armoedeproblematiek levensgroot aanwezig. Ik wil slechts een lans breken om anders naar deze mensen te kijken en hoe ze met heel weinig geld (talent in geld uitgedrukt) met ook nog ergens een speciale gave (talent als persoonlijke gave) er bij een arme de menselijke waardigheid niet verloren hoeft te gaan. Hiervoor hoef je je niet te focussen op derdewereldlanden. De zogenoemde ‘vierde wereld’ is om de hoek, hier in onze dorpen. Je hoeft je eigen talenten van empathie en observatie maar aan te spreken. Je talent om te delen, of je talent tot luisteren en adequaat reageren. Of je talent om hierin risico’s te nemen en dan soms belazerd te worden. En dan door te gaan: dat is ook een talent. Misschien zijn deze mensen wel veel erger belazerd dan ik nu, denk ik dan. Ik dank God dat op het juiste moment Hij in mij deze talenten activeert. Zonder Hem zou ik het niet kunnen.