Preek op de 2e Zondag door het jaar
Zondag 17 januari 2021, jaar B
Door: abt Denis Hendrickx o.praem.
Lezingen: 1 Samuel 3,3b-10.19; 1 Korintiërs 6,13c-15a.17-20; Johannes 1,35-42
De eerste helft van deze eerste maand van het jaar zit er al weer op. Het dagelijks leven heeft weer helemaal zijn oude ritme gekregen met de vele beperkingen welke noodzakelijke coronamaatregelen ons opleggen. We moeten het sinds vrijdag met een demissionaire regering doen. De wereld draait door en we roepen weer wat we allemaal denken.
Toen ik de lezingen van dit weekend doorlas, ben ik wat stil blijven staan bij de namen die ik tegenkwam. Samuel, Eli, Johannes, Jezus, Andreas, Simon: Deze laatste krijgt dan de nieuwe naam Kefas = Petrus. Ik ben stil blijven staan bij het doodgewone feit dat wij allemaal een naam hebben. Heel gewoon en toch iets kostbaars zo denk ik en ik heb de indruk dat velen dat met me eens zijn. Door je naam ben je iemand, ben je mens. Net of je naam een stuk is van je persoonlijkheid. Het is dan ook met grote zorg dat ouders die in verwachting zijn een naam kiezen voor hun komende baby. Want die gaat het hele leven mee. Met die naam ben je bekend, met die naam wordt je aangesproken en geroepen.
Zoals reeds gezegd: deze gedachte kwam bij mij op bij het doorlezen van de Schriftwoorden van vandaag. Samuel ligt te slapen, maar tot vier keer toe wordt hij uit zijn slaap geroepen bij zijn naam. En blijkbaar door God zelf. Ook God kent mensen bij hun naam. Ook in het evangelie van vandaag gaat het over geroepen worden en bij naam kennen. Jezus kent de mensen die hem komen spreken: Andreas en Simon. Op een andere plaats in het evangelie kun je lezen dat Jezus zijn schapen bij name kent. Als een goede herder. En bij de profeet Jesaja kun je tussen zijn inspirerende geschriften vernemen dat onze namen staan geschreven in de palm van Gods hand. Beelden, om aan te laten voelen dat je voor hem geen onbekende bent, maar een mens met persoonlijke trekken.
Concrete personen worden vandaag in het evangelie geroepen tot eerste leerlingen van Jezus. Geroepen worden, een roeping hebben. De jonge Samuel en Andreas en Simon, voelen dat God in hun nabijheid is en met hen meetrekt. Samuel begrijpt het eerst niet. De priester Eli opent hem de ogen. Hij laat hem naar binnen kijken om daar ruimte te maken voor Gods woord. De evangelist Johannes verhaalt hoe Johannes de doper twee van zijn leerlingen in contact brengt met Jezus. Op geen enkele manier probeert Jezus die twee te strikken. Hij vraagt alleen: ‘Zoeken jullie iets? ‘De twee reageren met een tegenvraag: ‘Waar hebt U uw verblijf? ‘Niet dat ze het adres van Jezus willen weten. Ze willen weten waar hij staat, waar hij geestelijk thuis is. Dat alles klinkt door in het Bijbelse woord ‘verblijven ‘, dat we keer op keer in het evangelie van Johannes tegenkomen en dat veel meer betekent dan ‘ergens logeren ‘. Dan volgt het simpele antwoord van jezus: ‘kom mee en je zult het zien.’ ‘Die dag bleven ze bij Hem’, zegt Johannes. Wat ze die dag gezien hebben, daarover zegt hij verder niets, maar Jezus moet een onvergetelijke indruk gemaakt hebben. De twee leerlingen hebben gevoeld dat Hij’ in de liefde van de vader verblijft’, zoals Jezus van zichzelf zegt op de avond voor zijn lijden. Zo geven ze zich gewonnen. Andreas gaat meteen naar zijn broer Simon: ‘we hebben de Messias gevonden. Kom mee!’ Andreas brengt Simon bij Jezus. Voortaan zul je Kefas heten – dat betekent: rots’. Zo begint het dus. Petrus is de rots, maar het is zijn broer die hem bij Jezus brengt. De sneeuwbal gaat rollen. Zo groeit gemeenschap, zo groeit onze geloofsgemeenschap en zo worden ons vragen gesteld. Hoe delen wij de roeping en hoe zorgen wij voor een blijvende betekenis van het Joodse volk? Hoe bouwen we aan eenheid van de christenen? Waar is de verblijfplaats van de vrede? waar woont de geweldloosheid. Hoe ziet de wereld, hoe zien u en ik er uit zonder geweld? Ga maar mee, kom maar kijken. Ze gaan mee, maar wat ze te zien krijgen staat niet in het evangelie. Was het een gewoon huis, die verblijfplaats, een hut in het bos, een kartonnen doos onder het viaduct, Was het dat illegaal opgezette tentje in de tuin van de abdij, was het een opvanghuis voor vluchtelingen, een recreatie van een religieuze gemeenschap of de eetkamer van een verzorgingstehuis. We zullen het niet weten, maar het lijkt er op, dat overal waar Jezus gaat of staat, zijn verblijfplaats is.

