Preek op de 22e Zondag door het jaar

Zondag 30 augustus 2020, jaar A
Door: Prior Frank van Roermund o.praem.
Lezingen: Jeremia 20,7-9; Romeinen 12,1-2; Matteüs 16,21-27

Het evangelie van vandaag sluit naadloos aan op dat van vorige week.

Vorige zondag hoorden wij Petrus getuigen: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God”, een getuigenis dat een keerpunt markeert in het evangelie. In alle hoofdstukken ervóór zien we namelijk dat Jezus zich gestaag verwijdert van Jeruzalem. Jezus neemt – zo staat er telkens – ‘de wijk’. Direct vólgend op Petrus’ getuigenis keert Jezus om, letterlijk, en vervolgt Hij zijn weg, maar nu terúg naar Jeruzalem. Het steeds terugkerende refrein “en Jezus nam de wijk” maakt nu plaats voor een niéuw refrein: “en Jezus ging op naar Jeruzalem waar Hij veel zal moeten lijden, waar Hij gedood zal worden, maar op de derde dag zal verrijzen”. Nu zijn ware identiteit openlijk is onthuld bereidt Jezus zijn leerlingen voor op wat komen gaat… Maar… zij mogen het niét voor zich uit bazuinen dat Hij de Messias is, nóg niet, want lijden en dood was wel het láátste wat men van de Messias verwachtte. Later – ná zijn verrijzenis – zou alles duidelijk worden.

Nu vandaag zien we een Petrus die niet wil of nog niet kán inzien welke implicaties dit heeft, een Petrus die Jezus wil beletten zijn ondergang tegemoet te gaan… Natuurlijk een héél menselijke reactie. Petrus is immers één van Jezus’ boezemvrienden, en hij wil niet dat Hem iets kwaads overkomt. Petrus’ verzet en Jezus’ reactie daarop toont ons ook hoe onnavolgbaar Jezus eigenlijk is, hoe moeilijk het ook voor óns is om onze levensweg te gaan in zijn voetspoor. Want na Petrus’ terechtwijzing, richt Hij zich tot de andere leerlingen, en zegt: ‘Wie mijn volgeling wil zijn moet mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen…’ Jezus’ zending is daarmee ook ónze zending. En de consequentie is, dat ook wij bereid moeten zijn te lijden omwille van de zending die ieder van ons van God heeft ontvangen.

Iéts van dat tegenstribbelen van Petrus zien we ook bij de profeet Jeremia. Hij treedt op in de Ballingschap: de Tempel is verwoest, het volk is gedeporteerd en lijdt. Jeremia nu laat zich raken door het lijden van zijn volk, en komt in beweging om hier iets tegen te doen. Maar niet meteen. Aanvankelijk – we lezen dat al aan het begín van zijn roepingsverhaal – sputtert hij tegen als God hem roept: Hij roept: ‘ik ben te jong, ik kan het niet, ik wil er niets van weten’. Maar later gaat hij tóch overstag – we lazen het zojuist: hij bezwijkt voor Gods roepstem. Want – zo zegt hij – ‘Dan laait er een vuur op in mijn hart, ik doe alle moeite om het in bedwang te houden, maar het lukt me niet’…

Vandaag dus twee Bijbelse figuren waarin wij ons kunnen herkennen: Petrus en Jeremia.

Jeremia voelt zich zwak en onmachtig als God hem roept, en wil zich terugtrekken, maar kan Gods roepstem uiteindelijk niet weerstaan. Is dit niet herkenbaar voor ieder van ons die zich geroepen weet?

Petrus getuigt van Jezus’ ware identiteit en dát maakt hem tot een rots waarop Jezus zijn kerk, zijn gemeenschap van gelovigen, wil grondvesten. En zo geldt dat ook voor óns: Als wij – in navolging van Petrus – getuigen van wie Jezus wérkelijk is, dan zijn ook wij als steunpilaren waarop de kerkgemeenschap van vandaag kan worden voortgebouwd.

Een sterke Petrus dus in wie wij ons hopen te kunnen herkennen. Ja. Maar in ieder van ons schuilt ook die ándere, die wankelmoedige Petrus die Jezus verloochent als het te heet wordt onder zijn voeten. In ieder van ons schuilt ook die Petrus die uit bangigheid, of is het eigenbelang, tegenwerking biedt waar mensen daadwerkelijk willen ingaan op Gods roepstem. Petrus wilde Jezus weerhouden naar Jeruzalem te gaan. Weerhouden wij op onze beurt – bewust of onbewust – niet soms óók mensen hun roeping te volgen?

Aan ons de keuze in welke Petrus-rol wij willen staan. Willen wij een steunpilaar zijn voor mensen die Gods roepstem horen, of weerhóuden wij hen van hun roeping en bemóeilijken wij hun levenspad? In het eerste geval zal Christus ons eer bewijzen. In het tweede geval zal Hij ons – net als Petrus tóen – hardgrondig terecht wijzen. Niet uit kwaadheid, maar uit pure liefde, met de bedoeling ons te corrigeren! Want net zozeer Jezus zielsveel hield van Petrus, houdt Hij zielsveel van ieder van ons, óndanks onze schaduwzijden. De weg van Jezus is geen gemakkelijke weg, het is een weg van vallen en opstaan.