28 en 29 september 2019: 26e Zondag door het jaar

Amos 6,1a.4-7 en Lucas 16,19-31, C-Jaar

VERKONDIGING

Arm maar toch rijk staat er boven deze lezingen. Verhalen die wij allemaal al vele jaren gehoord hebben. Over die rijke in het leven die niets meer krijgt in zijn dood en die kleine van de aarde die zal leven in overvloed. Van die woorden die alles zeggen en die niets zeggen. De criticasters onder ons zullen ons voorhouden dat de schrijvers van deze verhalen voor hun beurt spreken. Hoe kan een aards iemand uitspraken doen over het leven na onze dood. Hoe kan iemand ons vertellen hoe het verhaal met onze Lieve Heer moet zijn geweest. Is Lucas of de profeet Amos na hun dood terug gekeerd op aarde zodat ze konden getuigen van dat nieuwe leven? Nee, dat zijn ze niet. Deze mannen beroepen zich daar dan ook niet op. Dit zijn wijze mannen die willen vertellen van het goede. Het goede van het leven, vertellen van die opdracht die wij te doen hebben. Lucas spreekt met alles wat goed is in zijn hart. Hij vertelt in zijn evangelie van de grootheid en goedheid van God. Hij zoekt naar woorden en voorbeelden om dat aan zijn mensen duidelijk te maken, zijn God is een goede God. Is een God van de Liefde!

En dan kiest hij voor een verhaal waarin hij aangeeft hoe het zou kunnen zijn. De arme, Lazarus, vol met zweren. Het uitschot van de wereld. Ligt aan de poort en vraagt om een aalmoes. Maar de rijke geeft zich niet thuis. Hij wentelt zich in zijn rijkdom en heeft geen oog voor de wereld om zich heen. En dan schetst Lucas het beeld hoe het zou kunnen zijn als het leven is over gegaan in de dood. De arme, de vieze, het uitschot van de aarde ligt aan de voeten van onze God en de rijke, die geen oog had voor de mensen om hem heen, brandt en moet op de blaren zitten. Een zeer duidelijk beeld. Dit kunnen wij ons allemaal voorstellen maar dan wat betekent het voor ons vandaag. Wij mensen van iedere dag. Mogen wij niet genieten, mogen wij niet rijk zijn, mogen wij dan niets hebben?

Wij mogen, denk ik, alles hebben als wij maar oog hebben voor de wereld om ons heen. Dat is de diepere betekenis van de woorden van Amos en Lucas. Bewust zijn van hoe je in het leven staat. Je realiseren dat jij niet alleen bent. Weten dat er altijd een ander is. Het uitreiken van een hand, het schenken van een glimlach, het goedemorgen zeggen tegen iemand die je tegenkomt. Kleine dingen. Het gaat niet om de grote zaken. Dat kunnen mensen doen die daar het geld voor hebben. Wij eenvoudige mensen kunnen eenvoudige zakendoen. Dan zegt onze God, verwoord in dat oude boek. Dat wij goede mensen zijn, dat wij Godsmensen zijn.

En als een Godsmens op aarde is de hemel niet ver weg.
Durven wij dat?
Een hemel op aarde verwachten?
Of kiezen wij voor 130 km per uur op onze snelwegen, eten elke dag een grote hoeveelheid vlees, laten de oceanen vollopen met plastic, laten de temperatuur op aarde meer dan 2 graden stijgen?
We kiezen dan niet voor die ANDER maar kiezen voor ons zelf. Een directe bevrediging van MIJN behoeften. Uiteindelijk weinig hemel op aarde.

Zouden we dan niet beter kunnen luisteren naar die woorden uit ons oude boek. Woorden van eenvoud, van puurheid, van oprechtheid. Woorden die gaan over onszelf en die ander. Gekend of ongekend. Die man, die vrouw die op staat en zegt dat jij er mag zitten. Dat kind van 13 jaar die zegt dat hij mee wil doen met het Vormsel in onze parochie. Die zegt: Ja, ik doe mee. Dat zijn voorbeelden waar wij gelukkig van kunnen worden. Voorbeelden waar ik mij rijk bij voel. Mensen, grote en kleine, die oog hebben voor een ander, die klaar willen staan en zeggen Ja, ik doe mee. Dan is er toekomst.

Arm en toch rijk. Hierbij lijkt het bij arm vooral over geld te gaan. Bij rijk en toch arm gaat het bij rijk niet over geld maar juist over dat andere. Laten we dan ook dat andere kiezen als zijnde de voorwaarden voor rijkdom. Wij kunnen het geven, kunnen wij het ook ontvangen? Open staan voor dat kleine van die ander. Een uitdaging voor het leven, een opdracht voor een Godsmens.
Amen.

Jan Claassen, participant Norbertijnen