Bidden

1 November 2018: Allerheiligen en Allerzielen

Een mijmering en Marcus 5,1-12a, B-Jaar

VERKONDIGING

Precies op deze eerste dagen van de maand november vieren wij Allerheiligen en Allerzielen. Dagen waarin wij stilstaan bij het leven van alle mensen die voor ons uit zijn gegaan, mensen die verder leven in Gods eeuwige Licht, mensen die verder leven in óns. Wij hebben hun leven gevierd, stil gestaan kort na hun dood en moesten ons leven hernemen toen doordrong dat het afscheid eeuwig was.

En we stellen ons vragen:
Is het dan allemaal voorbij voor altijd?
Waar zijn zij naar toe, leven zij nog verder, waar en hoe dan ook?
Zijn zij in de hemel? of kunnen wij dat woord niet goed meer gebruiken?
Vandaag zoeken wij antwoorden, tussen de teksten en de liederen. In onze gebeden en onze muziek vinden wij onze gedachten, onze liefde, onze twijfel en spijt, onze tranen terug.
Tranen van verdriet, maar ook van dankbaarheid en hoop.

In onze wereld van vandaag zijn begrippen als hemel en hiernamaals verdampt. Wij weten er geen raad meer mee, kunnen de betekenis niet meer vinden.
Wij horen het om ons heen ook anders zeggen:
… Zij leven verder in ons, we komen ze tegen in bladeren die vallen, een vogel die zingt op een tak, een gordijn dat zachtjes opwaait in de wind, de glimlach van een kind, een uitspraak, een trek op het gezicht van een zoon.

God zij dank mogen wij dan toch ook aansluiten bij het oergevoel dat dood duisternis oproept en dat licht leven betekent.
Wij herkennen ons in het gedicht van Toon Hermans dat u vindt op de voorkant van uw boekje:

Een mens wordt zoveel meer dan eens geboren
en voor wie zoekt is op een dag de cirkel rond.

Hoe raak gekozen die woorden. Gaat het immers niet zo? Zijn het niet onze oeroude rituelen die precies daarvan willen getuigen?
Bij de doop van een kindje gebruiken wij gewijd water en zalven de ogen, oren, mond, handen en voeten. Wij tekenen het nieuwe leven met het kruis.

Aan het eind van het leven, besprenkelen wij de overledene opnieuw met gewijd water, spreken woorden van dankbaarheid om alle goede wil in deze gestorvene:
om de ogen die mooie dingen hebben gezien,
de oren die wisten te luisteren,
de mond die woorden van liefde sprak,
de handen die goeds tot stand hebben gebracht en de medemens op handen gedragen,
de voeten die de juiste weg door het leven hebben gezocht.
En we tekenen de overledene met het kruis, het kruis van Gods liefde en zeggen woorden van geloof dat wij voor eens en voor altijd, veilig en geborgen zijn.
De cirkel is rond, en daarmee treft ons toch weer dat grote mysterie en dienen die grote vragen zich aan:
Want waar zijn zij? Waar komen wij vandaan en waar gaan wij naar toe?

Mensen zijn wij immers … en mensen stellen vragen. Wij zijn geen stenen, geen water, geen muren of bomen. Bomen kreunen en kraken en sterven zonder traan of pijn.
Stenen hebben geen gevoel en kennen geen medelijden.
Soms zit het wel in onze aderen, de droefheid, de verstening, dan denken wij dat wij niet deugen en niemand op ons zit te wachten. Wij zijn ook geen goden, die alles kunnen beheersen of regelen. Wij zijn mensen, breekbaar en gevoelig op zoek naar anderen die met ons willen zijn.
Soms zit het wel eens in ons hoofd en willen wij als goden zijn, maar goden zijn onbereikbaar, goden sterven niet, zij vervagen …
Wij zijn mensen en juist omdat wij ménsen zijn, weet God ons te vinden. Wij hoeven niet alleen maar zoekers te zijn en voor altijd te blijven. God vindt ons wel als wij daarvoor open staan.
God immers, is een God van de levenden, die met ons meetrekt een leven lang.

Vandaag op de feestdag van Allerheiligen vieren wij Allerzielen mee. Een feest dat ons wakker houdt, niet in slaap wil sussen. Vandaag vieren wij dat wij mogen zijn, wie wij ten diepste zijn. Mensen die gelukkig willen zijn en elkaar gelukkig maken.
Precies daarom ook die tekst van de Zaligsprekingen:
Woorden die vooruitkijken en ons aansporen; Gelukkig mogen wij zijn en als gelukkige mensen mogen wij verder leven; zachtmoedigen, armen van geest, treurenden.
Zij die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, vredebrengers. Ieder van ons die het goed wil en in vrede wil sterven.
Als een geliefd mens sterft voel je ten diepste, dat de cirkel niet meer rond is, dat de buitenkant van de cirkel aanvoelt als een ruw stuk hout, dat de kern van de cirkel blootligt, dat alles wat van ons is wordt opengelegd.

Dáárom moeten wij huilen als een geliefde sterft, omdat wij mens zijn, omdat wij voelen dat leven een einde kent, omdat wij missen wat ons dierbaar is, om onze teleurstelling, onze onmacht, onze spijt ook misschien.
Juist omdát wij mensen zijn, breekbaar en gevoelig, die verder leven met een wond in ons hart.
De God van Abraham, de God van Maria van Magdala, de God van Jezus Christus, de God van hen die voor ons uitingen, die weet wat er leeft in ons hart.
God weet ons wel te vinden, wij kunnen ons de moeite besparen en zeggen dan nog één keer met Toon Hermans die treffende woorden:

Ik heb gezocht
gevonden en verloren
en weer opnieuw gezocht
totdat ik het weer vond.
Een mens wordt zoveel meer
dan eens geboren
en voor wie zoekt is op ‘n dag
de cirkel rond.

Thea van Blitterswijk, participant Norbertijnen