29-30 september 2018: 26e zondag door het jaar, B-jaar
Numeri 11,25-29 en Marcus 9,38-43.45.47-48, B-Jaar
OVERWEGING
In de tijd dat ik studeerde en dagelijks heen en weer reisde naar Eindhoven, raakte ik in de trein eens in een serieus gesprek verwikkeld met een medestudent. Hoe wij, twee studenten aan een Technische Universiteit, op het onderwerp kerk en geloof uitkwamen weet ik niet meer. Hij vertelde me dat hij jarenlang actief was geweest in zijn parochiekerk, maar daar enkele jaren geleden weg was gegaan. Er werd te veel gepraat en vergaderd en te weinig gedaan in de kerk vond hij. En dus was hij lid geworden van de lokale afdeling van Amnesty International, waar hij allerlei acties mee hielp opzetten en uitvoeren. Rust Gods geest op hem?
Ik ken daarentegen ook iemand die niet gelovig opgevoed of gedoopt was, maar die wel regelmatig naar vieringen in de kerk ging. Om elke week een rustmoment te ervaren, het drukke leven met alle dagelijkse beslommeringen even stil te zetten. Om in stilte te zitten, mee te zingen met de liederen en geraakt te worden, door misschien maar een enkel woord uit een lezing, een overweging of een lied. Hoort zij bij onze geloofsgemeenschap? Rust Gods geest op haar?
De lezingen van vandaag roepen veel herkenning op. Zijn wij immers niet allemaal gewend om de wereld en de mensen om ons heen in hokjes of groepen in te delen. En komt daarmee niet al snel de gedachte op: dat is er geen van ons, die hoort er niet bij? Zo gaat het vaak, hoewel we weten dat het niet goed is om mensen uit te sluiten. Ook uit de mond van Jozua en van Johannes horen we vandaag zo’n soort reactie. Zij worden teruggefloten door hun meesters, Mozes en Jezus. Mozes, die God wanhopig hulp heeft gevraagd om de Israëlieten te leiden, heeft liever meer dan minder mensen die profeteren, zo hoorden we. ‘Legde de Heer zijn geest maar op heel het volk’, roept hij uit. En Jezus heeft er blijkbaar geen probleem mee dat iemand die zich niet bij hem aangesloten heeft, demonen uitdrijft in zijn naam. ‘Wie niet tegen ons is, is voor ons’, zegt hij tot zijn leerlingen. Een zeer positieve en optimistische zienswijze. Alle hulp is welkom, uit welke hoek dan ook.
Jezus probeert zijn leerlingen (en ons) duidelijk te maken waar het om gaat. Niet zozeer het belijden bij Jezus te horen is wat telt, maar de goede dingen die je doet, al dan niet in zijn naam. Het spreken en handelen van Jezus is erop gericht om het koninkrijk van God dichterbij te brengen, waar te maken in onze wereld. Wie volgeling van Jezus wil zijn, moet allereerst in zijn geest handelen. ‘Wie de eerste wil zijn’, zo hoorden we vorige week, ‘moet de laatste worden, de dienaar van allen. En wie een kind opneemt in mijn naam, neemt mij op en daarmee degene die mij gezonden heeft’. Daaraan voegt Jezus deze week nog toe ‘Wie jullie een beker water te drinken geeft omdat je bij mij hoort, zal zeker beloond worden’. Het gaat dus niet per se om grote en grootse daden, zelfs zoiets kleins en bijna onbetekenends als een beker water volstaat. We hoeven ons niet wanhopig of nutteloos te voelen omdat we al het leed van deze wereld niet in ons eentje kunnen oplossen, daar gaat het niet om. Gewoon de kleine dingen aanpakken die op je pad komen is genoeg.
Een beker water voor wie dorst heeft; een plek bieden om even op adem te komen voor wie vermoeid is; een bemoedigend woord of een arm om de schouder voor wie het even niet meer ziet zitten; een luisterend oor voor wie het moeilijk heeft; een moment van aandacht voor wie door niemand gezien wordt. Meer is niet nodig.
Wij zij geroepen om volgelingen van Jezus en dienaren van God te zijn. We mogen zijn woord doorgeven. Of beter nog: we mogen zijn woord doen, en dan zal Gods geest op ons rusten. Soms kan er dan van onverwachte zijde zomaar hulp opdagen. Want ook in mensen die niet gelovig zijn, of een ander geloof aanhangen dan wij, kan Gods geest oplichten en werkzaam zijn. Zij kunnen in zijn naam mee gaan profeteren, mee gaan werken aan die nieuwe, betere wereld, kiezen voor de weg ten goede, die naar God en het leven leidt.
Als wij zo – geïnspireerd door Jezus en de geest van God – proberen te leven, maken we het visioen van vrede, dat koninkrijk van God al waar. En of we daar later voor beloond zullen worden is misschien niet eens het belangrijkste. Ik denk dat onze beloning dan al hier, nog tijdens ons leven zichtbaar zal zijn: een samenleving waarin mensen elkaar weer zien en op weg helpen. Waarin vreemden in bekenden veranderen, elkaar bemoedigen en dragen. Een maatschappij waarin plaats is voor iedereen, waar ieder mens meetelt en mee mag doen, ongeacht nationaliteit, huidskleur of geloof.
Dat het zo mag zijn.
Arthur van Tongeren, gastpredikant

