Bidden

21 en 22 juli 2018: 16e Zondag door het jaar

Jeremia 23,1-6 en Marcus 6,30-34, B-Jaar

VERKONDIGING

De verhalen uit het evangelie, maar ook de teksten uit het Eerste Testament die ons op zondag worden verteld, kennen veel aanknopingspunten. Op het eerste oog lijkt het evangelie van vandaag een oproep te zijn om tot rust te komen. En hoe passend is dat in deze vakantietijd.
Als je de tekst nog eens leest, dan horen we het woord herder, de menigte is als schapen zonder herder zegt Jezus.
En als wij inzoomen op het begin van de evangelielezing, dan zie je ineens dat de apostelen en Jezus moe waren … na alles wat zij gedaan en onderwezen hadden.

Drie invalshoeken, ankertjes kun je het noemen, om bij aan te knopen bij deze evangelielezing.
En ieder van ons, zoals wij hier zitten, maar ook de mensen bij ons in de straat of in de stad, ieder mens op onze wereld, zal hiernaar luisteren met in de rugzak het eigen levensverhaal.
Ons kind zijn, onze gelovige opvoeding, het gezin waarin wij groot werden, de school, ons werk, ons leefverband, onze gezondheid, onze vrienden en kennissen, onze inzet voor de wereld, ons ouder worden; alles bij elkaar heeft ons gevormd.
Als wij daar ook nog ons geloof, onze levensoriëntatie, bij leggen, dan zien we iets oplichten van de mens die wij vandaag zijn.
Zo geldt dat voor ons en voor de mensen om ons heen. En zo gold dat ook voor de apostelen die met Jezus rondtrokken.

Ongetwijfeld waren de vrienden van Jezus gelovige mensen. Zij zagen in Jezus een leraar, een mentor, een voorganger.
Iemand die zó leefde en over God sprak dat je hem graag wilde navolgen. Een man zo goed als God; een mens die goed nieuws verspreidde, die het opnam voor de zieke, de arme, de vreemdeling, de eenzame en daarbij ook de verantwoordelijken op het matje durfde te roepen.
Dát moet Gods Zoon wel zijn, hebben zij misschien tegen elkaar gezegd.

Het verhaal van vandaag hebben wij al tientallen keren gehoord. En als kind hoorde je andere dingen dan als volwassene. Veel mensen ervaren het zo.
Geloof kan er zijn, kan een tijdje weg zijn zelfs.
Je kunt twijfelen, wanhopen en soms zelfs boos zijn op God en alles waar je in dacht te geloven. Maar iets wat gezaaid is krijg je niet zomaar weg; het zal op poppen in tijden van je leven dat je er open voor staat, ontvankelijk voor bent. Niet omdat je het nodig hebt, omdat God een soort Sinterklaas is of omdat geloof een gebruiksartikel is.
Maar omdat het je toevalt, als een genade die je ten diepste kan ontroeren.

Kijken we nog eens naar de drie ankers in de evangelielezing van vandaag:

Jezus roept zijn vrienden op om een eenzame plaats te zoeken waar zij tot rust kunnen komen. Tot rust komen heeft iedereen nodig. We moeten als het ware allemaal van tijd tot tijd ‘aan de oplader, omdat de accu moet worden opgeladen’, zeggen we dan. En met een opgeladen accu kun je weer verder.
Je hoort het mensen die terugkomen van vakantie vaak zo zeggen.

Ik ben ook een van die mensen. Vorige week kwam ik terug van een heerlijke vakantie. Geweldige natuur, mooie culture plekjes, een gastvrij volk, heerlijk zitten met een boek, alle tijd om te genieten van het gezelschap van mijn man.
En als grote finale nog een paar dagen vertoeven met mijn moeder, kinderen en kleinkinderen. Je bent even in een andere wereld.
Dan waren er ook die momenten waarop je je ogen kunt sluiten op de vertrouwde tijden en weten dat hier in Tilburg het gebed doorgaat op de vertrouwde tijden.
De zondag beginnen in een klein dorpskerkje op een berghelling waar een geloofsgemeenschap samenkomt die na afloop, net als wij, collecte houdt voor een schooltje aan de andere kant van de wereld en samen koffiedrinkt om met elkaar na te praten over alles wat er is en komen gaat.

Geloven gaat immers een stuk beter als je kunt delen met de mensen om je heen en soms lukt het, even rust nemen om op adem te komen. Zodat je als herboren de wereld weer in de ogen kunt zien en ook moeilijke situaties weer als een mild en liefdevol mens tegemoet kunt gaan.

En zo vinden we in die lezingen van iedere week inspiratie, om het goede nieuws te blijven vertellen. Om onze wereld een stukje mooier te maken. En daar is inzet voor nodig.
De apostelen trokken de wereld in als herders, dreven duivels uit, genazen zieken, trokken op met vreemdelingen en deden verslag aan Jezus van alles wat zij meemaakten.

Door hem werden zij bemoedigd om als een herder te zijn voor de wereld en voor elkaar.
Niemand mag immers verloren lopen, geen mens! Ook al zijn er mensen die wij mogen en mensen die wij niet mogen. Ieder van ons mag hopen en dromen van een uitgestoken hand ook als wij steken hebben laten vallen.
Herder zijn voor elkaar betekent elkaar vasthouden, tijd maken voor elkaar, opdat wij de mens kunnen worden die wij ten diepste zijn.

We kunnen het en wij doen het, we proberen het waar te maken: de wereld tegemoet treden en mensen van God zijn, herder zijn voor elkaar!
Amen.

Thea van Blitterswijk
participant o. praem