Bidden

30 juni en 1 juli 2018: 13e Zondag door het jaar

Wijsheid 1,13-15;2,23-24 en Marcus 5,21-43, B-Jaar

VERKONDIGING

De 2 trefwoorden van onze lezingen van vandaag zijn: dood en aanraking. Dood en aanraking. Het lijken wel 2 begrippen die niet bij elkaar horen.

Dood, de warmte van het leven is weg, een koud lichaam rest ons. Een lichaam wat niet uitnodigend is om aangeraakt te worden en toch doen we het.
Onze handen strelen, een aai over de haren en misschien een kus op de wang. Jouw warmte in aanraking met de koude van de overledene. Alsof je toch iets zou willen voelen van die ander.

Ooit stond ik naast een jonge vader met zijn overleden zoon van 3 maanden in zijn armen. Zijn oudere kinderen waren mij komen roepen: ”Jan, Jan onze baby doet raar”. En daar stond ik naast een zuigeling waar het leven al uren uit was vertrokken. De vader probeerde zijn levenswarmte weer in zijn kind te wrijven, zijn directe aanraking om het ongeloof weg te nemen. Uiteindelijk heb ik zijn overleden baby overgenomen en in de wieg gelegd en heb ik vader in de armen genomen om hem te laten delen in mijn warmte.
Dood en aanraking, koud en warmte, leven.

En dan die vrouw uit de evangelielezing. Al jaren ziek, helemaal zonder hoop op genezing en dan komt Jezus voorbij. De man waarover de verhalen gaan, die geneest, die opwekt uit de dode.
Kan ik hem maar aanraken, alleen maar zijn mantel even vasthouden? Een groot geloof doet haar bewegen.
Het lukt, ze doet het. Door de mensenmassa heen raakt ze zijn mantel aan en geneest. Na jaren van lijden is ze genezen. En Jezus die voelt dat hij aangeraakt wordt. Tussen die honderden mensen om hem heen weet hij haar te vinden. Zij, waar zijn kracht naar toegestroomd is. Hij weet van haar geloof en het is goed.

In datzelfde grote geloof geeft hij het meisje een hand en zegt: sta op en ze staat op. Want het geloof heeft je gered.

Oude verhalen uit een andere tijd.
Dood en aanraking, kou en warmte, leven? Hoe gaan wij hier mee om? Wij hebben allemaal de dood al eens meegemaakt. Dichtbij, heel dichtbij of wat verder weg. Hoe zijn wij met het verdriet om gegaan. Van dat moment, van die transfer tussen leven en dood? Door wie werden wij aangeraakt. Wie was er om ons te dragen, om tegen ons te zeggen: kom sta op. Want bij elke ervaring van dood gebeurt er iets met ons. Wij mensen moeten weer een nieuwe weg vinden, een weg van leven waar de dood een plaats heeft. Waar tranen mogen stromen waar een glimlach weer gezien kan worden. Wat hebben wij dan die aanraking nodig. Een teken van leven, een subtiel gebaar, wat vingers op een schouder, een kus op de wang. Een hand om vast te houden.

Hoe groot zijn wij om ons hart te openen en te voelen dat onze God ons nabij is. Die God waar liefde het eerste gebod is. Die God die met ons meeloopt, die ons steunt, draagt. Die God die ogenschijnlijk geen plek meer heeft in deze wereld, die God waar mensen geen tijd meer voor hebben.
Die God.

Je overgeven aan het kleine, aan dat wat bijna niet gezegd kan worden, aan dat wat een ander jou geeft.
Een kus, een hand, een knipoog. Ik heb je gezien! Ik ben er! Ga maar, ik ga met je mee.
Die God die in ons mensen zit. In jou en mij.
Het is aan ons om die God te laten spreken, om die ander te laten weten: er is Leven, de dood is niet het laatste. Pasen, verrijzenis, is onze toekomst.

Daarom is een teken van leven, een teken van God. Laten we gaan staan en elkaar zo’n Godsteken geven. Een teken van de vrede van de Heer. Een aanraking met een Goddelijk randje.
Amen.

Jan Claassen, participant Norbertijnen