Bidden

25 maart 2018: Palmzondag

Marcus 11,1-10 en Marcus 15,1-47

VERKONDIGING

Goede zusters en broeders,

Een paar weken geleden gaf de planner mij aan, dat ik op deze zondag de verkondiging mag verzorgen. Een woord dus voor de Palm- of Passiezondag. Dat is mooi! Toen kwam ook mijn fantasie op gang. Wat wil je zeggen op zo’n zondag? In mijn rijke fantasie zag ik een groot drieluik. Drie panelen met kleurrijke afbeeldingen, afbeeldingen die steeds groeiden, steeds mooier werden.

Het eerste paneel. In het midden zie ik een jonge man. Hij zit niet op een paard als een generaal, of als een trotse ruiter bij Indoor Brabant.  Neen.  Hij zit op het lastdier van arme mensen. Hij zit op een ezel. Zo wil hij – in alle deemoed – de stad binnentrekken, de stad met de mooie naam: Stad van de Vrede. Zal hij dat in Jeruzalem ervaren, of wellicht iets anders? Zijn vrienden zijn met hem meegekomen. Mensen in de straat hebben over deze man gehoord. Zij sluiten zich aan! Het wordt bijna een massahysterie. Ze leggen kleren en tapijten op de straat en zwaaien met groene takken. Hosanna, geweldig: Gij die komt in Gods naam, gezegend zijt Gij. Hosanna, Hosanna.

Maar, zo fantaseer ik verder. Zijn die loftuitingen wel terecht? Ik stel me voor, dat ik zelf met hen meeloop. En ik denk, dat de andere mensen soms zijn als ikzelf.

Nu, lieve man op die ezel! Ik roep wel, maar 70 x 7 keer vergeven, dat lukt me niet. Mijn vijanden liefhebben, gaat me vaak te ver. Als ik moet kiezen tussen God of de Mammon, dan is er vaak een knipoogje naar de Mammon, naar geld, luxe en bezit. Als een Samaritaan: de gewonde, de zieke, de oudere, de arme verzorgen. Ik loop er wel eens in een boogje omheen. En mag ik dan toch Hosanna roepen?

Ik denk dat de man op de ezel zegt: ja hoor. Ik ben niet gekomen om te oordelen of te veroordelen, maar om te bevrijden. Voel je vrij en zing Hosanna. En heel stil blijf ik kijken naar Jezus, op een ezel, het lastdier van de armen.

Heer, zorg dat ik U mooi en goed blijf vinden, en dat U meetrekt op mijn levenstocht. Een tocht met alle mensen van goede wil naar het nieuwe Jeruzalem, Stad van de Vrede.

Hier en nu ga ik verder naar het tweede paneel. Kijk, daar in het midden zie ik dezelfde man als in paneel één. Maar wat een verschil. Helemaal onder het bloed, sporen van striemen op zijn rug. Bijna naakt en op de executieberg, Golgotha. Hangend aan een kruis, als een misdadiger. Hoe is het mogelijk na het Hosannageroep van paneel één?

Ik blijf kijken naar het tafereel. Wat verschrikkelijk! Die pijn, dat lijden ten onrechte, die schijnbare mislukking. En wat zie ik nog meer?  Eén man, één leerling. De anderen hebben als angsthazen hun vriend verlaten. Maar wel een heel stel vrouwen: Maria Magdalena, Salome Maria de moeder van Jacobus, zijn eigen moeder en veel anderen. Een teken: in een wereld, beheerd door mannen, zijn de vrouwen in de meerderheid, om te zorgen, om medelijden te tonen. Jammer dat dit belangrijke gegeven nog te weinig wordt gezien in onze wereld, in onze Kerk. Ik kijk ernaar. Ik hoop en bid, dat wij deze tekenen verstaan.

En de man aan het kruis! De tekenen van leven worden zwakker. Nog een keer met stemverheffing: het is volbracht. De man van de kribbe, de man van de ezel, de man van het kruis zegt: het werk is klaar. Het Koninkrijk van God is onder ons.

De mannen en vooral de vrouwen onder het kruis geven het door: het werk is klaar, de droom wordt vandaag vervuld. Schulden worden kwijtgescholden; vergeving gebeurt; vijanden worden behandeld als buren; voedsel en kleding wordt gedeeld met de armen; buitenstaanders worden uitgenodigd; onderdrukkers worden met ongewapende vriendelijkheid tegemoet getreden. En er gebeurt nog meer wat onmogelijk leek.

Het is volbracht, de laatste zucht van de man aan het kruis, van de dienaar op de ezel. En over een week zal hij op het derde paneel het stralende middelpunt zijn van het waarachtige leven.

Amen.

Wim Manders o. praem