18 februari 2018: 1e Zondag van de Veertigdagentijd
Genesis 9,8-15 en Marcus 1,12-15, B-Jaar
VERKONDIGING
De ark van Noach ligt aan de kade, gevuld met van elke diersoort een mannetje en een vrouwtje en God maakt een afspraak met Noach en zijn familie en met alle dieren. Het eerste waar ik dan aan denk of ze die boot wel goed hebben vastgezet. De replica van de ark of Noach was laatst met de grote storm losgeslagen. Grote schade, voor de ark maar ook voor de boten om hen heen. Een replica van de ark van Noach. Een bijzonder gegeven. Een replica van de ark die ons moet laten denken aan Gods wil. Terwijl God juist aangeeft in de eerste lezing uit Genesis dat Hij een teken zal stellen dat Hem herinnert aan zijn verbond met ons mensen. De regenboog. Het teken voor de Heer zodat Hij weet van zijn verbond met ons mensen. Dan is die boot nu niet meer zo nodig. Hij laat ons niet verdrinken.
De veertig dagen van bezinning zijn begonnen. Het teken van As van afgelopen woensdag was het begin. Stil worden, je realiseren dat wat het leven is en dat als je God wilt ontmoeten je hart open moet zijn.
Jezus ging veertig dagen de woestijn in, God liet het veertig dagen regen, het volk Israël trok veertig jaar door de woestijn. Veertig een bijzonder getal. Loop maar eens veertig kilometer. Ik weet uit eigen ervaring dat dat een beetje sterven is. Dat je reserves moet aanspreken, dat je pijn moet overwinnen, dat je voorbij grenzen moet gaan. En waarom?
Om aan de andere kant te komen. Omdat je weet dat er iets op je wacht. Pijn lijden omdat er iets is wat groter is dan jezelf.
Veertig dagen in deze tijd, ze vliegen om. Stil staan is dan niet zo eenvoudig. De wereld wil dat wij rennen dansen vliegen vallen en weer opstaan, dat wij door gaan. En dan onze kerk. Dat bejaarden bolwerk in deze wereld van Heikant-Quirijnstok. Die kerk die een plek biedt om even samen te zijn. Samen te zijn in stilte, samen te zijn met mooie woorden, samen te zijn met muziek. Op dat moment van stilte tekenen wij elkaar. Geven een zwart kruis op het voorhoofd, vallen op, zijn zichtbaar voor de wereld. Hebben iets met God. Gaan met deze stilte, met deze tekening, naar huis. Ik ben begonnen …
Nemen God en elkaar mee, alsof we opnieuw verbonden zijn. Samen gaan wij het doen. Ons vastentrommeltje van vroeger is veranderd. We bewaren geen snoep meer maar kijken uit hoe we God kunnen ontmoeten. Zomaar in die ander. Stil ben ik geworden, ik ben op weg in de veertig dagen, weet van Pasen, ik loop.
En dan die paar zinnen uit het Marcus evangelie. Jezus naar de woestijn, Johannes gevangengenomen en Jezus neemt zijn taak en zei: “De tijd is aangebroken, het Koninkrijk van God is nabij: kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws.”
Kom tot inkeer.
Wie moet er tot inkeer komen? Wat is tot inkeer komen?
Het is iets wat je zelf moet doen. Jij moet tot inkeer komen. De woestijn is een goede plek, je hoeft alleen maar de wilde dieren van je af te houden en voor de rest is er zand. Zand om vast te houden, zand om door je vingers te laten glippen. Zand dat gloeiend heet kan zijn, zand dat als stof al jouw lichaamsopeningen binnen dringt, zich vastzet op je schedel. Zand dat je bijna niet meer kwijtraakt. Zand dat je dwingt naar binnen te gaan, tot inkeer te komen. Je afvragen waar ben ik, wie ben ik, waar is mijn God, waar is de ander. Zand dat ons schuurt, heel voorzichtig laagje voor laagje. Steeds dichterbij kom je bij de kern, kom je tot inkeer.
Veertig dagen tijd, de vasten. Wij hebben voor India gekozen. Het oude, maar zeer mooie Hongerdoek uit 1976 hangt weer boven ons. Een dansende Christus, wat willen we nog meer. Dansen als middel om tot inkeer te komen, dansen als teken van vreugde, dansen terwijl er zoveel verdriet om je heen is. Misschien wel een teken van het geloof, het is er, ik weet het zeker. Kijk maar in de verte, het komt.
Vasten 2018, jij en ik, ik en jij, God en ik, ik en God? Ik begin alleen, in stilte. Maar weet van morgen.
Amen.
Jan Claassen, participant Norbertijnen

