11 februari 2017: 6e Zondag door het jaar, Carnaval
Leviticus 13,1-2.45-46 en Marcus 1,40-45
VERKONDIGING
In deze dagen zijn er op vele momenten heel wat mensen die zich die vraag stellen, ‘Zot zo meuge?’; het thema van Carnaval dit jaar.
En als we het carnavalsembleem waar deze spreuk op staat goed bekijken, dan zien we dat het máág, een dikke opgestoken duim onderstreept dat nog eens!
Laten we dan eens een paar actualiteiten bekijken en ons die vraag nog eens stellen: ‘Zot zo meuge?’
Een paar dagen geleden diende een groep zuiderlingen een petitie in bij de minister met de vraag om Carnaval tot officiële vrije dagen te maken. Toen gevraagd werd welke dagen we dan zouden moeten inleveren, was de reactie van een van de initiatiefnemers: “Pasen zou een goede zijn, dat heeft alleen maar gevolgen voor de meubelboulevard”.
Ik werd er even stil van….
Carnaval en Pasen, ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden! Het is weer zo’n moment dat je je realiseert dat de verbinding tussen kerk en samenleving steeds verder uit elkaar valt.
Wie kent nog de betekenis van het woord Carnaval?
Carnem levare … wegnemen van het vlees.
Aan het begin van de Veertigdagentijd, gaat alle overdaad aan de kant om ons voor te bereiden op de Veertigdagentijd, de opgang naar het Paasfeest. En als mensen dan vragen om Carnaval in te ruilen voor Pasen, dan gaat die dikke duim bij het motto ‘Zot zo meuge?’ stevig omlaag!
‘Zot zo meuge?’ … sprak ook Inez van Oord, die samen met haar broer theoloog Jos een Re Bible schreef.
Inez is hoofdredacteur van het tijdschrift Happinez, een tijdschrift waar de meningen over verdeeld zijn. Maar nu vertelt Inez ons dat zij ontdekte dat zij in haar zoektocht naar nieuwe levensbeschouwingen, naar religieuze inspiratie, zoals te vinden in het boeddhisme en hindoeïsme zij haar eigen Bijbel uit het oog is verloren.
De verhalen die zij in haar kindertijd hoorde, zag zij lang als stoffig, als iets uit haar jeugd, uit onze geschiedenis. Samen met broer Jos ging zij op pad, zocht in de Sinaï woestijn naar sporen van Mozes, zocht in Rome naar ervaringen van de eerste christenen en op het eiland Iona naar christenen die zich niet door het woord, maar vooral ook door de stilte laten voeden.
Samen lezen en herlezen Inez en Jos de rijke Bijbelse verhalen en stellen zich vele vragen: is er misschien een nieuwe manier om naar de verhalen te luisteren, om de bladzijden uit onze bijbel te lezen? Zijn de verhalen misschien niet altijd zo uitgelegd dat wij er ook mee konden leven? Zouden we het niet eens anders moeten proberen? Zou dat zomaar kunnen? Zou het anders kunnen?
‘Zot zo meuge?’ Misschien mag de dikke carnavalsduim hier wel omhoog!
Het verhaal dat wij vandaag horen, staat helemaal in het begin van het Marcus evangelie. Marcus schreef zijn goede nieuws rond het jaar 60. Hij had het allemaal van horen zeggen … en was enorm geïnspireerd door ervaringen van de volgelingen van de man uit Nazareth.
Marcus vertelt het goede nieuws aan de mannen en vrouwen die in Rome woonden en zich christen hadden laten dopen. Hij realiseerde zich wel dat er veel uitleg nodig was, om te beginnen om een beeld te schetsen van de joodse leefwereld waarin Jezus zich bewoog.
Daarom legt hij nogal wat uit over de gewoonte van rituele wassingen, de reinheidswetten in het jodendom waren strikt onderdeel van het gelovig leven.
Het boek Leviticus waaruit wij hoorden lezen … het staat vol met aanwijzingen, regeltjes en wetten.
Zo ook rond het verhaal van vandaag … hoe gaan we om met iemand die melaats is … een ernstige besmettelijke ziekte vraagt om isolatie van de patiënt. Of het nog niet erg genoeg is, komt door die isolatie de menselijke waardigheid nogal eens ernstig onder druk te staan. En dat geldt niet alleen voor ernstig zieken; ieder mens en zeker mensen die voor korte of lange tijd niet mee kunnen doen, heeft behoefte aan een aanraking, een teder gebaar.
Mensen willen elkaar omhelzen, kussen of omarmen bij wijze van troost, begroeting of blijdschap.
Als je daarvan wordt uitgesloten, valt menselijke nabijheid weg.
Jezus neemt daar afstand van, hij raakt de melaatse man die voor hem staat aan en deze weet zich genezen. Nergens in de tekst staat twijfel die Jezus op enig moment weerhoudt, hij keert zich tot de zieke mens met een warm gebaar.
En zo gaat Marcus verder, hij blijft ons vertellen wie Jezus is, steeds opnieuw laat hij ons een Jezus zien die zich losmaakt van de wetten en regels die gelden in zijn religie en ons God laat kennen die mensen liefdevol wil aanraken en beroeren?
Natuurlijk zijn regels soms nodig, het zou wat zijn als tijdens de Olympische spelen een sportvrouw te vroeg start.
Wat te denken van een topcrimineel die wegen zoekt om geld wit te wassen en daarvoor bij de rechtbank allerlei goede redenen meent te kunnen aandragen.
Of van de docent op een school van leerlingen dingen vraagt die echt niet door de beugel kunnen.
Als zij vragen: ‘Zot zo meuge?’ Dan gaat de duim fors omlaag ons samenleven heeft immers regels nodig.
Maar waar Jezus regels overtreedt gaat het om verhalen die ons leren dat menselijke nabijheid genezend werkt; en laat zien dat wij helend met elkaar op weg kunnen, als wij liefdeswoorden en warme menselijke gebaren boven de wet durven stellen.
De kennismaking met de levende God, leert ons om elkaar te genezen en te helen wat stuk is.
Dat geldt voor melaatsen en voor alle mensen die zich aan de kant voelen staan.
Wie dat zijn in onze tijd?
We laten onze gedachten gewoon maar even gaan langs al die mensen waar wij liever wat uit de buurt blijven … mensen die wij eng, vies of arm vinden. We kennen ze wel, ieder van ons en als je dan toch de hand durft uit te steken, stel dan die vraag nog maar eens:
‘Zot zo meuge?’ Om de duim dik omhoog te steken!
Amen.
Thea van Blitterswijk, participant Norbertijnen

