Bidden

26 december 2017: H. Stefanus, Tweede Kerstdag

Klein Kerstoratorium Huub Oosterhuis / Antoine Oomen en Matteüs 10,17-22, B- Jaar

VERKONDIGING

Kerst 2017. Kerstavond en de eerste kerstdag is voorbij. De ballen kunnen alweer bijna uit de boom, vervelend het vallen van de dennennaalden. Nog even naar de Woning boulevard, een restje wijn en kerst zit er op. Op naar de champagne van de ochtend in 2018.

Zou kunnen maar voor ons toch zeker niet. Wij zijn er weer, we willen samen deze dag vieren. De dag beginnen met samenkomen in de kerk. Links en rechts groetend en nog even een zalig kerstfeest toe wensen aan diegene die we nog niet hadden gezien.

Dit is de negende viering sinds kerstavond, de laatste, misschien wel de mooiste maar ook de moeilijkste. Bij de vieringen van Kerst mochten wij een beetje dromen, van dat kind in de kribbe, de os en de ezel, van de herders met hun schapen, van de koningen onderweg. Dromen over toekomst, over de belofte. Kind ons geboren, koning van de vrede.

Vandaag is het de tweede dag, het nieuw is er af, het leven gaat gewoon door. Er gaan mensen dood en er worden kinderen geboren. Misschien draait er al ergens een was, kan maar klaar zijn!
En wij staan stil bij de laatste woorden van het Kerstoratorium:
Moge ons verschijnen, deze gerechte
Moge Hij ons geven, licht van zijn ogen, adem van zijn leven.

Ik zeg het nog een keer:
Moge ons verschijnen, deze gerechte
Moge Hij ons geven, licht van zijn ogen, adem van zijn leven.

Ik werd er thuis in de voorbereiding op deze dienst, stil van.

Dit moet het zijn geweest waar die Stefanus, als nieuwe getuige van Jezus Christus, van getuigd heeft. Vol vuur ging hij staan. Vol van geloof en vol van de Geest. Een steniging tot de dood was het antwoord.

Getuigen van het licht van Zijn ogen, getuigen van Zijn leven is lef hebben in een wereld waar men niet op jou zit te wachten en zeker niet op die woorden die gaan over dat wat bijna te groot is om te begrijpen.

In het Matteüs evangelie zegt Jezus tegen zijn leerlingen: “Jullie zullen door iedereen worden gehaat omwille van mijn naam; maar wie standhoudt tot het einden zal worden gered.”
En dan moeten zij pas beginnen. Vertellen van hun vriend in een wereld die niet op ze zitten te wachten. Geen wereldlijke koning met macht maar een verhaal over een Goddelijke mens. Kom er maar eens om.

En Wij?
Hebben wij een opdracht bij de geboorte van dit kind? Of mogen wij blijven zitten in onze droom van het mooie, het maagdelijke, het ongeroerde. Mogen wij blijven staan in die gedachte van een witte kerst, van vrede op aarde.
Laten wij de kerstboom en kerststal gewoon staan, het hele jaar, ach gewoon gezellig.

Nee zo zijn we niet. Als de koningen geweest zijn gaan de ballen in de doos, gaat de piek in het mandje en beeldjes van de kerststal worden één voor één weer ingepakt. Alles bijeen klaar voor volgend jaar.
En de boodschap van deze tweede kerstdag? Hebben wij die ook ingepakt en veilig opgeborgen op de zolders van onze huizen. Hoeven wij daar dan niets meer mee?

Dat kleine kind spreekt ons aan, als volwassen man ondersteunt hij ons. Vraagt, daagt ons uit, roept. Geeft ons het licht van zijn ogen, vult ons met de adem van zijn leven.
Wij kunnen onze ogen opendoen en kijken met dat licht. Wij kunnen ademen en zijn leven voelen. We hoeven geen wonderen te verrichten, we kunnen gewoon ons zelf blijven, we kunnen in ons hart toegeven dat wij kinderen van die God zijn. Die God van liefde, die God van gerechtigheid, die God van erbarmen.

Dan kunnen wij stralende mensen zijn, mensen waarvan de wereld kan zeggen, dat zijn Godsmensen. Goede mensen gevuld met het Licht en de Adem van een kind dat net geboren is. Mensen die staan, die uitreiken. Die het leven aandurven.

En laten wij het samen doen, samen getuigen dat wij kinderen van die ene God zijn. Dat zijn liefde onze liefde is.
Ik wil u vragen om te gaan staan, als dat kan. En geef dan elkaar een teken van liefde. Laat uw hart spreken en wees als een stralend mens.

Amen.

Jan Claassen, participant Norbertijnen