Bidden

20 augustus 2017: 20e Zondag door het jaar

Jesaja 56,1.6-7 en Matteüs 15,21-28

VERKONDIGING

Bij het schrijven van een verkondiging voor de weekendvieringen bekruipt mij soms het gevoel: waar doen we het eigenlijk nog voor?
Deze week vertelde ik iemand heel dichtbij over een stukje bijbel waar ik om moest glimlachen. Mijn hoorder keek mij wat glazig aan, zij begreep helemaal niet waar ik het over had, had geen enkel gevoel bij dat wat de wereld van onze Oude verhalen bij iemand kan oproepen.
Je doet er dan maar het zwijgen toe.

Een ervaring als deze daagt tegelijkertijd uit, dwingt om nog eens goed naar die oude, weerbarstige woorden te luisteren. Teksten die we al zo veel zo vaak hebben gehoord, verhalen die ons vertellen over de omgang van mensen met God en van God met mensen.

Vreemde verhalen, teksten die schuren, die verwarring zaaien alsof het erom te doen is … Ja, zeggen sommigen, wij kunnen dat ook niet goed invoelen, de teksten zijn immers geschreven in een heel andere tijd, een heel andere wereld, een volstrekt andere cultuur.
Zou daar dan niet de uitdaging kunnen zitten?
Op zoek naar de kern van die verhalen en wat zij ons vandaag, in onze wereld, in onze tijd, nog te zeggen hebben.

Laten we eens beginnen bij Jesaja … de tekst die we vandaag hoorden, is uit het zogenaamde derde deel van het boek Jesaja en daar begint de verwarring al … Onze allergrootste profeet, Jesaja … het is een boek geschreven door meerdere auteurs, in andere tijden, in andere werelden.
Het grootste deel van die teksten werd geschreven in de tijd dat het volk van Israël in ballingschap leefde. Maar niet het derde deel van dit imposante boek, dat is van na die tijd … de ballingschap is voorbij.
De mensen zoeken een nieuwe plek, een nieuwe relatie met de volkeren om hen heen en vooral ook proberen zij de relatie met de Eeuwige opnieuw inhoud te geven.
Immers … jarenlang leefde men toe naar het einde van de ballingschap en toen de bevrijding eindelijk daar was, ging het allemaal anders dan verwacht.
Een desillusie werd het, de tegenvaller was groot.

Hoe zat het ook weer met de goeden en de kwaden? Hoe zat het ook weer met God, was de Eeuwige niet tegelijk een straffende en een barmhartige God? Was de Eeuwige niet tegelijk een trouwe en een rechtvaardige God?
Er ontstonden nieuwe inzichten, nieuwe antwoorden. De verhalen schuurden aan alle kanten en een van de kernvragen die zich voordeed was in die dagen:
Nu wij een vrij volk zijn, wie hoort er dan eigenlijk bij?

En dan zijn we waar wij wezen willen … de grote hamvraag, ook in onze tijd. Wie hoort er nu eigenlijk bij? Of je het wilt of niet, ieder van ons komt er voor te staan, iedere keer weer.
Het begint al bij kinderen op de kleuterschool … Groepjes worden gevormd van gelijkgezinden en met vijf jaar hoor je het soms al zeggen … Die stomme Jurgen mag niet op mijn feestje komen of die gekke Evelien hoort niet bij ons groepje.

Mensen maken groepjes, in verbanden, in stammen en partijen. Het gebeurt overal, in sportverenigingen hoor je er niet bij als je niet goed genoeg bent. Als een koor vooral een vriendengroep is, is er weinig ruimte voor anderen.
Jij hoort er niet bij, jij bent anders, niet goed genoeg, van een andere klasse, of andere afkomst. Overal kom je het tegen, collega’s in de kantine die altijd alleen aan tafel zitten. In de parochie, werkgroepen waar de een de ander niet ziet zitten en samenwerken lastig is.
Hoe vaak hoor je het niet zeggen … die hoort er niet bij.

En dan is daar Jezus vandaag, geen aardige warme, liefdevolle Jezus op deze zondag maar een akelige, kille, afwijzende man die een vrouw krenkend afwijst.
Een vrouw uit een ander volk, zij hoort niet bij het volk van Israël. Een vrouw van elders die een plaats zoekt in de vriendenkring van Jezus.
Als hij hoort hoe groot haar wil is, buigt Jezus zich naar haar toe en omarmt haar, neemt haar op.

In het klein en in het groot, voortdurend worden mensen afgewezen omdat ze anders zijn. Randstedelingen vinden lastig een plek in een dorp op het platteland. Een politicus met Marokkaanse ouders kan rekenen op hoon en spot als hij burgemeester van Arnhem wordt.
Jonge mensen uit oorlogslanden als Syrië, Eritrea, Somalië, en hun ouders. Ze worden neerbuigend behandeld, niet echt serieus genomen. Ze horen immers niet bij ons …
En Nederlands leren, dat moeten ze vooral zelf doen, eigen verantwoordelijkheid, daar hoeven ze mij toch niet mee lastig te vallen, zo hoor je dan.

Wie hoort er bij ons, wie mag meedoen? Het zijn vragen waar het antwoord niet eenvoudig op te geven is. Vragen van vandaag, maar ook uit de Oude verhalen, weerbarstig en verwarrend.
Maar altijd uitdagend en wie weet, wel door God zelf aan ons gegeven.

Mag het zo zijn …

Thea van Blitterswijk, participant Norbertijnen