Bidden

11 juni 2017: Feest van de H. Drie-eenheid

Exodus 34,4b-6.8-9 en Johannes 3,16-18, A-Jaar

VERKONDIGING

Goede zusters en broeders,

Zondag van de Drie-eenheid. Een God in drie personen.

We moeten het dus vandaag over God hebben. Wat hoogmoedig denk ik dan. Het hebben over God, over een mysterie. Dat kan toch niet. Daar ben ik als kleine mens niet toe in staat. Wat denk ik wel!! Misschien moet ik proberen in alle bescheidenheid mijn gedachten over God, mijn gedachten over dit grote mysterie hardop te zeggen. Hardop zeggen, wat ik denk!
Iedere week lees ik in de psalmen: onze God is groot en heel ver weg, maar ook heel dichtbij. Hij doordringt allen. God, groot, veel, heel ver weg.

Ik denk aan een ervaring.
We waren op vakantie in de Alpen, Harrie was er ook bij. Onze veel te jong gestorven medebroeder Mart van Sluisveld zat aan het stuur. We reden een berg op. Een eindeloze weg, met veel haarspeldbochten en toen bereikten wij de top. We stapten uit! Niemand zei iets, wat een aanblik. Een overrompelende schoonheid. Wat een stilte … Wat stil … en toen zei Mart: Hoe kun je toch zeggen, dat er geen God is. Hier moeten wel wonderen geschieden. Hei zei, wat al vaak werd gezegd: De schoonheid, de glorie van de schepping vertelt over God. Zo prachtig is alles geordend, zo’n harmonie in de schepping, ook in ons zelf, in ons lichaam.
Vaak zeg ik nu op momenten van stilte: God, Schepper, groot, veraf, ik prijs je naam.

Ik denk nu ook aan vader Abraham, de vader van de Joden, christenen en moslims. Hij zat voor zijn nomadentent. Was onder de indruk van de sterrenhemel, van de ontelbare hoeveelheid, te zien waar geen smog of luchtvervuiling is, hij was blij met de blauwe lucht en de zon. En dan ging hij praten met de schepper, met de maker. Hij geloofde. Hij geloofde in God.

En Mozes – in de 1e lezing – hij beklimt ‘s morgens vroeg de top van de Sinaï. En daar gaat God de Maker, de Schepper hem voorbij. Mozes knielt neer en gaat dan de berg af met een boodschap.

Het is deze God, deze Schepper van Mozes, Abraham en die ook wij vermoeden boven op de Alpen van La Salette, in wie ik wil geloven. Wiens naam ik wil verheerlijken. Het is deze God, over wie mijn ouders en opvoeders hebben gesproken. Het is deze God, die ik in tijden van twijfel heb gezocht. En ik denk, dat ook U soms dezelfde ervaringen hebt.
Tot deze God wil ik bidden. Neerknielen, neerbuigen, en liefst heel diep, zoals de moslims in onze wijk het ook steeds doen, dezelfde God en Schepper, die zij Allah noemen.

Wij mogen het vandaag doen in deze ruimte. Een hoog groots gebouw, geschapen naar het beeld van de Schepper. Om in deze ruimte stil te worden en te zeggen: God, wat bent U groot, maar ook onze God.
Want hij was zoals de psalm zei, niet alleen hoog, groot en ver weg, maar ook heel nabij, rakelings dicht. Ook dat is goed geregeld.

Jezus, de Heer, die zich gezonden wist door God, noemt deze God: Vader. Vader, iemand die zorgt, die helpt, die je nabijkomt, die ontzettend van je houdt.
Dat beeld van God als goede, barmhartige Vader probeert Jezus ons bij te brengen. Hij roept tot zijn vrienden: Deze Vader houdt van jullie. Maar, zegt een van de vrienden, laat ons dat dan zien.
En dan Jezus weer. Als je mij ziet, dan zie je de Vader. Als je van mij houdt, dan houdt je van de Vader. En ik ga nog verder. Zoals ik van de Vader houd en Hij van mij, zo houd ik van jullie en jullie moeten houden van elkaar. Die houding van liefde en vrede is iets goddelijks. Daar voel je God.

Drievuldigheidszondag is dus niet alleen de dag om de knielen en diep te buigen voor het mysterie, voor God, maar ook een dag, waarop Gods creativiteit en genialiteit en Gods liefde losbarst, tussen ons en door ons.

Een zieke in de ogen zien.
Een arme recht aankijken.
De eerste stap zetten naar vrede en verzoening.
Een arm om de schouder,
Een kus van liefde.
Het is Goddelijk. God gaat dan rakelings voorbij.

Dit zijn zo mijn gedachten op Drievuldigheidszondag.
God, iemand of iets: heel groot en heel ver weg. Maar ook zo warm en dicht nabij.
Amen.

Wim Manders o. praem