7 mei 2017: Roepingenzondag
Handelingen 2,14a.36-41 en Johannes 10,1-10
VERKONDIGING
Met het evangelie van dit weekeinde staan we op volle Bijbelse grond. Weidegrond. Want het gaat om een herder met zijn schapen. Die dieren kennen we nog. Nu en dan zien we nog wat schapen op een weide. Maar een herder met een kudde behoort niet meer zo direct tot onze leefwereld. Overigens is het wel opvallend dat het beroep van herder weer meer in de aandacht staat: kandidaat-herders melden zich aan om met een kudde schapen de hei op te gaan en het verschijnsel wordt ook officieel voor het nageslacht vastgehouden: het voorstel om de rondtrekkende herder met zijn kudde op de wereld erfgoedlijst te plaatsen.
De parabel die Jezus vertelt, is uit het leven van zijn tijd gegrepen. Rondtrekkende herders met hun kudde waren in het Heilig Land zo gewoon als bij ons vrachtwagens op de snelweg. Iedere avond werden de kudden schapen samengedreven binnen de schaapskooi. De volgende morgen kwamen de herders en riepen hun schapen naar buiten. Ze kenden de stem van hun herder. Hij kende de naam van ieder schaap. Tussen de schapen en de herder was er een hechte verbondenheid. Over en weer kenden en herkenden ze elkaar.
In de bijbel zijn alle leiders van Gods volk herders. Abraham, Izaak, Jakob, Jozef, Mozes, Saul en David, de herderkoning bij uitstek. De Bijbelse traditie, de traditie van een herderscultuur. Het is dan ook niet zo vreemd dat het verhaal van vandaag gecombineerd wordt met pastor zijn, pastoraal werk, het kiezen van religieus leven voor de inrichting van dagelijks eigen leven.
Als Jezus zei: “Ik ben de goede herder”, kon men dat opvatten als een provocatie. Wie kan zich meten met God? Toch noemt Johannes onomwonden Jezus de ‘Goede herder’. En goed betekent dan ‘echt, ideaal, betrouwbaar, waar’. Zoals de echte ware herder zette Jezus zijn leven op het spel voor zijn mensen. Zo wordt bijvoorbeeld ook bisschop Romero van San Salvador ‘onze herder en martelaar’ genoemd. En ze zijn met velen, vooral in de derde wereld, die hun leven geven tot in de dood toe, vanwege het consequent in praktijk brengen van Jezus’ ware herderschap. Ik denk dat ons eigen Peerke Donders ook veel van deze herderlijke kwaliteiten toegedicht kunnen worden.
Vandaag is het roepingenweekend. We denken aan allen die in pastorale dienst zijn of het volgen van Jezus tot inrichting voor hun dagelijks leven hebben gemaakt. Allerlei vrouwen en mannen, gewijd of toegewijd, met een hart voor mensen zoals een ‘goede herder’ betaamt. Met een trouwe nooit aflatende zorg. Herderlijke begeleiders en begeleidsters die hun mensen ‘kennen’. En kennis dan ook in Bijbelse zin zoals we dat ook nog kennen van het wat verouderd gezegde: ‘Hij/Zij heeft kennis met iemand’. Kennis als liefdevolle persoonlijke band. Ik denk dat het in dit verband ook bijzonder is dat gelukkig zoveel dagelijks pastoraat vooral door vrouwen wordt behartigd. Met hen zijn toch vooral verbonden die kenmerken en gevoelens welke nabijheid, warmte en zorg uitdrukken. En zijn dat niet de wezenlijke elementen van christelijke pastoraat. En als zoveel vrouwen in pastorale dienst staan zou het dan geen logische traditie zijn dat op deze pastorale dagelijkse praktijk ook liturgische sacramentele dienstverlening aansluit. Dat vrouwen worden uitgesloten voor wijding is daarom naar mijn bescheiden mening toch wel wat discriminerend.
‘Vrouwen en mannen gevraagd’ is het gevoelen dat vandaag nadrukkelijk klinkt. Soms hoor je de opmerking dat het verminderde aantal eigenlijk niet zo’n probleem is. Hun redenering luidt: de kudde wordt toch veel kleiner’, maar is dat ook weer niet een kans voor een hechtere gemeenschap: een broeder- en zusterschap van gelijkwaardige christenen. Er schuilt een groot gevaar dat we alle energie steken in het strelen van het ene schaap in de schaapstal en de 99 die buiten zijn dreigen te vergeten. Een hedendaagse pastor moet vooral naar buiten trekken en op zoek gaan. Paus Franciscus wist het vorig jaar nog zo mooi te formuleren als hij spreekt over een erop uit trekken en je op straat begeven. Je mengen onder de schapen, de nestgeur ruiken. Pastoraat in deze tijd moet vooral missionair zijn en zeker niet in binnenkerkelijke zaken blijven steken. Pastor-zijn / herder-zijn in deze tijd, in alle bescheidenheid denk ik dat het vooral vraagt om bewogenheid met de wereld buiten, zorg voor niet- kerkelijken en ongelovigen.
Vandaag op deze dag met speciale aandacht voor het geroepen zijn tot pastorale dienstverlening zou ik willen zeggen en tegelijkertijd nadrukkelijk willen uitnodigen: Het gaat om mensen die van hun geloof hun beroep willen maken. Dat kan op verschillende manieren, maar het belangrijkste beroep is dat van herder: het beroep dat bestaat in het verzorgen van de taken die nodig zijn om een gemeenschap van gelovigen goed te doen leven. We zouden het zo mogen zien: iedere gelovige, of die nu man of vrouw is, die van zijn geloof zijn beroep of levenskeuze wil maken, moet daartoe de kans en de nodige middelen krijgen, want zulke mensen kunnen we minder dan ooit missen.
Op de dag van de roepingen gaat het om mannen en vrouwen met een brede mogelijkheid van gaven en capaciteiten: mensen met de gave van het woord, mensen met leiderscapaciteiten, mensen die verstand hebben van besturen, mensen die medemensen kunnen bezielen, mensen met bijzondere gaven om te wijden en te zegenen, mensen die begaafd zijn om voor te bidden en bekwaam om anderen te leren bidden. Zo kan het rijtje nog aangevuld worden.
Wat zou het geweldig zijn als rond deze dag van de roeping mannen en vrouwen de uitnodiging horen en verstaan om een keuze in deze richting te maken: als religieus voor eigen dagelijks leven, als pastoraal werkende om alle schapen nabij te kunnen zijn.
Amen.
Denis Hendrickx o. praem
Abt van Berne

