22 januari 2017: 3e Zondag door het jaar
Jesaja 8,23b-9,3 en Matteüs 4,12-23
VERKONDIGING
Goede zusters en broeders,
Toen het vorige jaar de Hongaarse regering een hek plaatste aan de grenzen, zei een wijs man: mensen, die hekken plaatsen en geen verbindingen toelaten, zijn geen goede mensen. Ongeveer hetzelfde zei paus Franciscus in het vliegtuig naar Mexico: zij die muren bouwen en geen bruggenbouwers zijn, kan ik geen Christenen noemen. Christenen hebben dus als opdracht: bruggen te bouwen en geen muren tussen mensen te plaatsen en wij, u en ik, noemen zich Christenen. Dus wij behoren tot het gilde der bruggenbouwers en tot het bedrijfschap van verbindingen maken. Wij: bruggenbouwers. Verbindingen aanleggers. Tegen mezelf en tegen u zeg ik: denk daar maar eens over na!
Dan ga ik naar het evangelie van vandaag. Daar ontmoet ik de Heer van de Christenen. Het hoofd van het gilde en de leider van het bedrijfschap. Jezus was vermoeid van de vele tochten door het Joodse land. Hij dacht bij zichzelf: ik ga er een weekendje tussenuit. Een weekend naar huis. Naar Nazareth om te kijken hoe het met vader en moeder gaat. Maar dat werd een tegenvaller. Op de Sabbath in de synagoge kreeg hij aanvankelijk waardering, maar de waardering sloeg om in vijandschap. Zij vonden hem maar een aansteller. Wat dacht hij wel? Die zoon van een timmerman.
De zelfgenoegzaamheid en de zelfverzekerdheid van de mensen in Nazareth stond hem tegen. Jezus probeerde dan ook, zo vlug als hij kon, weg te zijn. Hij vertrekt naar Capharnaum, een stadje in Galilea, gelegen aan het meer. De bevolking bestaat uit eenvoudige vissers. Het gebied rond Capharnaum werd door veel Joden beschouwd als een randgebied, achtergebleven en bewoond door wat tweede-rangs-mensen. Maar daar juist vindt Jezus zijn geluk. Het klikt met die mensen. De elitaire en rijke mensen in Nazareth beschouwt hij als arm. De armoedige bevolking rond Capharnaum als rijk.
Jezus doet hier veel vrienden en vriendinnen op, zoals b.v. Maria Magdalena. Iedere dag ontmoet Hij de vissers aan de oever van het meer. Daar kiest hij er 12 van uit om zijn apostelen te worden. En zij volgen hem terstond – ook dat nog!
Op een goede dag houdt hij een toespraak op een van de heuvels in de omtrek. Hij kijkt zijn mensen aan en dan roept hij: zalig, zalig, wat een zaligheid!
* Wat een geluk, dat jullie zijn zoals je bent. In je arme, sobere bestaan ontzettend rijk.
* Wat een geluk, dat jullie recht door zee zijn. Mensen bij wie de binnenkant hetzelfde is als de buitenkant.
* Wat een geluk, dat jullie – als er iets is – vredestichters bent. Echte bruggenbouwers dus!
* Wat een geluk, dat jullie voor je overtuiging uitkomt!
Dat jullie je eigen identiteit koestert. Want alleen dan kun je de identiteit van de ander waarderen. En dan laat je je niet van de wijs brengen bij tegenwerking.
Zusters en broeders, ik hoop zo van harte dat de woorden uit Jezus’ toespraak ook voor ons zijn. Rijk, ook in een sober bestaan. Zuiver van hart, geen schone schijn en zoals hierboven gezegd: vredestichters, of misschien nog concreter gezegd: bruggenbouwers, verbindingen makers.
Vanuit Capharnaum ging Jezus met die 12 vissers de wereld in. Zijn boodschap bereikte ook ons. Vandaag hebben we de neiging om te somberen over teruggang, inkrimping, minder worden, afbouwen. Deze woorden moeten vervangen worden door hoopvolle woorden: we willen bruggen bouwen, in onze eigen kleine wereld en verderop. We willen trots zijn op onze Christelijke identiteit en vanuit die identiteit de ander tegemoet treden, in dialoog, in waardering.
Ik denk dat dit in 2017 betekent: het Rijk van de Hemel, het Rijk van de Vrede is nabij. Straks verlaat u het gildehuis, het huis van de bruggenbouwers. Misschien lukt het ons, om er dan tegenaan te gaan.
Amen.
Wim Manders o.praem

