Bidden

2 oktober 2016: 27e Zondag door het jaar

Habakuk 1,2-3;2,2-4 en Lucas 17,5-10, C-Jaar

VERKONDIGING

‘Heb maar vertrouwen, het komt allemaal goed.’ Dergelijke uitspraken zijn aan de orde van de dag. Dokters in gesprek met een patiënt, moeders tegen hun kinderen, politici tegen hun kiezers en zeker in dit verkiezingsjaar, hulpverleners bij calamiteiten. Toch is dat veel gemakkelijker gezegd dan gedaan. Je bent vaak geneigd te denken: ‘Ze kunnen me nog meer vertellen’. Je gelooft het niet omdat je al eens je neus gestoten hebt. Je leest van alles en dan merk je met enige regelmaat dat men in bepaalde posities misbruik maakt van situaties en / of gedane beloftes niet waarmaakt.
Maar er is zeker ook een andere kant dat er wel degelijk sprake kan zijn van een terecht groot vertrouwen, van die situaties waarin je vertrouwen zeker niet beschaamd wordt. Je kunt er dan van op aan als ze zeggen: ‘Heb maar vertrouwen’.

Het is zo ongeveer met deze blik dat ik naar de schriftlezingen van deze dag kijk. De profeet Habakuk stort zijn hart uit. Hij spreekt namens de verdrukten en vraagt zich af waar God nu is en waarom hij werkeloos toeziet. Is hij nog wel betrouwbaar? Want wij ervaren Hem niet. Het is een aloude vraag bij ziekte, natuurrampen, oorlog en onrecht. Habakuk beseft de ontrouw van het Joodse volk in de loop der jaren en de trouw daartegenover van God. Maar toch … waarom? Er moet toch ooit een einde aan komen? En Habakuk vertolkt daarna het visioen van Godswege: ‘Heb maar geduld, ik vergeet je niet, want de rechtvaardige blijft leven vanuit zijn geloof.’ Het geloof geeft houvast, je mag bouwen op God. Hij is de rots, de grond van ons bestaan. Als je leeft vanuit je geloof, als je dat dagelijks doet, dan zal het gelovige vertrouwen er ook zijn in tijden van tegenslag en beproeving. En let wel … zo’n vertrouwen is iets anders dan werkeloos toezien. Er mag geen sprake zijn van achter over leunen met de gedachte ‘God zal ons wel redden.’

In de evangelielezing van vandaag roepen de leerlingen ook om een groot vertrouwen, want ze zien het niet zitten. Zij ervaren hun tekortkomingen als zij als het ware in de spiegel kijken en die radicale eisen op het spoor komen van grote en grenzeloze liefde. Ze geloven wel maar hun zelfvertrouwen is zoek en straks, zonder Jezus voelen zij zich ontheemd. Hij moedigt hun vertrouwen aan door – in vergelijking met het mosterdzaadje – te stellen dat: ook al is hun geloof nog zo klein, het onmogelijke zal toch mogelijk worden wanneer ze dat geloof inzetten. En die inzet van de leerlingen is een vanzelfsprekend uitgangspunt. Leer van het mosterdzaadje hield en houdt Jezus voor. Het mag dan heel klein zijn, het bezit in zich de kracht om uit te groeien tot een grote struik. In die struik kunnen veel vogels nestelen en mensen kunnen er beschutting onder vinden tegen weer en wind. Als het mosterdzaadje eenmaal is uitgeschoten en begint te groeien, is van de kleinheid van het zaadje niets meer te zien. Als ons geloof zo klein is als een mosterdzaadje, maar met dezelfde groeikracht, dan zijn we in staat de wereld van aanzien te veranderen. Het gaat om het geloof dat het Rijk Gods tot stand kan brengen.

De tweede vergelijking die Jezus zijn leerlingen vertelt, is voor ons moeilijk te begrijpen. Dat komt omdat bomen altijd hetzelfde blijven en op dezelfde wijze groeien en bloeien. Maar menselijke samenlevingen veranderen door de tijd. In de vergelijking van Jezus gaat het om een werknemer die klaar is met zijn dagtaak. Dan wordt hem gevraagd nog even een andere klus te doen: eten te maken voor zijn baas. Als een werkgever vandaag zo met zijn werknemers zou omgaan, dan zou de vakbond meteen op de stoep staan. Maar zo lijkt het hier niet bedoeld te zijn. De nadruk wordt vooral gelegd op een hart hebben voor de zaak en de zaak van de baas beschouwen als je eigen zaak. En voor hun eigen zaak hebben mensen alles over.

De vraag is of we aan de verwachting kunnen voldoen en of ons zelfvertrouwen groot genoeg is. Durven we ondanks onze twijfels en ontoereikendheid toch te geloven dat ons geloof bergen kan verzetten? Durven we te vertrouwen op zijn Geest en hebben we genoeg ‘spirit’ in huis om het er maar op te wagen? Er zijn voorbeelden uit de geschiedenis die aangeven dat het zeker niet altijd koek en ei was. Maar … daar staat tegenover dat we ook best wat te bieden hebben, want ook dat zijn ervaringen, ook daar heeft de geschiedenis voorbeelden genoeg van. Mensen die heel maken, heil brengen, heilig zijn, bekend of onbekend. Laten we daar in Godsnaam mee doorgaan. Gewoon doen wat je moet doen. Met je geloof als fundament en Jezus als inspiratiebron.

De boodschap die opklinkt uit de lezingen van vandaag lijkt me deze te zijn: wie gelooft in het Rijk van God, ook al is het maar een speldenknopje groot, doet er alles aan om dit rijk te realiseren.
Amen.

Denis Hendrickx o.praem.
Abt van Berne