Bidden

13 september 2015: 24e Zondag door het jaar

Jesaja 50,5-9a en Marcus 8,27-35, B-Jaar

VERKONDIGING

Als je heel even stilstaat in een drukke winkelstraat of op een plein in onze stad of ergens anders, dan kun je het ineens zien: mensen reppen zich van de ene plaats naar de andere.
Je ziet een onophoudelijke stroom van menselijke activiteit mensen uit alle windstreken, met heel verschillende karakters, die elkaar, juist op dat ene moment passeren op dat plein.
Je ziet rusteloze mensen, haastige mensen, mensen die druk in gesprek, mensen die langzaam slenteren, het hoofd omlaag, mensen die trots zijn op hun kind in de wandelwagen, mensen die zich, tas onder de arm, reppen naar de volgende afspraak op de bank of het Stadskantoor.

En al die mensen die hun weg door het leven gaan, stellen zich vele vragen:
“Wie ben ik? Waar kom ik vandaan?
Waar ga ik naar toe als mijn leven ten einde is?”

Op deze ziekenzondag vraagt de Zonnebloem onze aandacht, voor de vragen die op ons afkomen als ziekte ons treft. Zij vragen ons om eens na te denken over de plaats van zieke mensen  in onze samenleving.
Mensen die zonder dat zij daarom gevraagd hebben getroffen worden door een ziekte, een hartinfarct, een hersenbloeding, of niet bijkomen uit een coma. Mensen die leiden aan kanker of spierziekten, mensen voor wie het leven ineens verandert in een achtbaan omdat hun leven verandert in één lange tocht van dokter naar specialist en ziekenhuis.
Achter die verhalen staan dan altijd de verhalen van mensen die zich bekommeren om de zieke, die hun leven evengoed, ook ongevraagd moeten stilzetten of  ombuigen om hun zieke geliefde te kunnen dragen.

Alle mensen, jong en oud, ziek en gezond, van welke cultuur of godsdienst ook, trekken hun spoor door het leven, zoeken naar zin en doel en stellen zich dezelfde vragen:
Waar kom ik vandaan?
Wat is de zin, het doel van mijn leven?
Hoe hou ik het leven uit? 
Wat doet de ander met mij?
Welke plaats heeft God in mijn leven?
Door wie of wat wordt ik gedragen?
En de vraag daarachter is altijd: “Wie ben ík?” of “Wie zeggen de mensen dat ik ben?”

Het zijn vragen die ons uiterst menselijk maken. Wij zijn toch immers niet alleen maar op deze aarde geboren om ’s avonds naar bed te gaan en ’s morgens weer op te staan, om te werken voor ons brood, om te eten en te drinken, om alleen maar vermaak en geluk te zoeken?

Zó eenvoudig leven de mensen niet. Een beeld dat veel en veel te somber is, misschien vaak ook als het gaat om jonge mensen. Heel wat jongeren spannen zich in, voor een mens in nood, nemen vrienden in bescherming, gaan in een kring staan om een zieke klasgenoot op handen te vragen. Facebook barst van initiatieven om mensen in nood op te vangen en in deze weken wordt heel wat af getwitterd over de problemen in onze wereld: 
De meeste gehoorde vraag in deze dagen is misschien wel: “Wat kan ik doén?”

Vragen, kleine vragen, grote vragen, levensvragen, ze zijn van alle tijden, zo getuigen ook de lezingen vandaag. De profeet Jesaja leert ons hoe mensen die God willen volgen, zich grote vragen stellen.

Vandaag horen we hoe Jezus op een keerpunt staat. Zijn tocht door Galilea is ten einde en nu moet hij optrekken naar Jeruzalem waar het kruis van alle levenslasten op hem wacht. Hij kan het omdat Hij weet dat nieuw leven zich na drie dagen zal aandienen.
De man die wonderen deed, zieken genas, mensen nieuw zicht op leven gaf, probeert het heel voorzichtig. Hij stelt zijn vrienden die ene vraag: “Wie zeggen de mensen dat ik ben?”
Zo wil Hij dat zij zich gaan voorbereiden over de vraag wie Hij werkelijk is: Gods Zoon de Ene en Eeuwige.

Wij mensen leven in het besef dat wij onderweg zijn. Want aan het einde zal er niets meer zijn, geen volle winkels, geen schitterende natuur, geen gonzende stad, geen overvolle snelwegen.
Maar als gelovige mensen mogen wij misschien zeggen dat wij door God gedragen worden. Wat er ook gebeurt, welke ziekte, welk onheil ook op ons pad komt, welke stomme keuzes of grote fouten wij ook maken, ook al kunnen mensen niet begrijpen welke stappen jij moet zetten.
Wij vallen niet te pletter, want God vangt ons op.

Zo mag daar dan het begin van een antwoord oplichten op de vraag naar wie wij zijn: Mensen van God die elkaar gedragen weten om zo elkaar door het leven te kunnen dragen; om écht mens te kunnen zijn, écht te kunnen leven!
Amen.

Thea van Blitterswijk, Norbertijns participant