24 mei 2021: Tweede Pinksterdag, dag van Maria
Genesis 3,9-15.20 en Johannes 19,25-34, B-Jaar
VERKONDIGING
U heeft geluk vandaag. Een goede keuze om vandaag naar de kerk te komen. Wij hebben vandaag teksten uit het oude boek gekregen waarover meters zijn vol geschreven. Vele theologen, zowel vrouwen als mannen, hebben hun verstandelijk hoofd hierover gebogen. Hebben hun leven gegeven om uitleg te geven over deze woorden. In alle nederigheid heb ik ook voor vandaag er een uur voor uitgetrokken om hier bij stil te staan.
De woorden uit het boek Genesis zijn weer zulke directe woorden. Woorden die ons mensen direct raken. De mensen van het eerste uur worden door God aangesproken. Wat heb jij gedaan?
Ze kunnen antwoord geven op de vraag, ze worden door God aan gezet om stil te staan bij wat er is voorgevallen. Zowel man als vrouw, geen onderscheid, ieder wordt bevraagd naar wat hij of zij gedaan heeft. Het begrip zonde is geopenbaard.
Mijn oudste kleindochter vroeg mij, naar aanleiding van een gesprek over de ziekenzalving, wat is dat dan: biechten, zonde? En ik mocht haar uitleggen dat wij mensen altijd iets bij ons dragen wat wij niet willen of kunnen delen met een ander. Iets wat wel zwaar op ons drukt, wat altijd in ons hart aanwezig is, als een last. Iets waarvan wij weten dat het niet goed is wat je gedaan of gezegd heb. Ik heb een ander tekort gedaan, pijn gedaan en ben er nooit meer op terug gekomen. In de biecht mag ik dit uitspreken en kan een priester mij de zonde vergeven. Mijn hart is dan weer vrij. Deze kleindochter keek mij aan en zei: “Ik heb zo’n geheim niet opa”. Gelukkig kind zei ik haar maar jij bent ook nog geen 80 jaar.
Zonde, het lijkt zo’n oud woord. Een woord van een voorbije tijd terwijl het dat niet is. Wij mensen van vlees en bloed zijn geen Heiligen. We kunnen er naar streven maar struikelen dagelijks. Het gebeurt, we weten dat het plaats vindt en we corrigeren het niet. Naar elkaar, naar onze kinderen, naar onze ouders, naar mensen om ons heen. Het heeft ons echt geraakt en het blijft in ons zitten. Mensen vertellen op het eind van leven soms voorvallen of ervaringen die vijftig jaar oud zijn. Ze hebben iets gedaan of gelaten en voelen al die tijd dat het niet goed was. Het moet van hun hart zodat ze vrij zijn als de transfer van leven naar dood naar nieuw leven gaan maken. Soms zijn er priesterhanden en oren nodig maar vaak is luisteren naar het verhaal en samen bidden voldoende om in het reine te komen. Zonde blijkt dan toch niet zo’n vreemd woord.
Vandaag vieren wij ook de feestdag van Maria, Moeder van de kerk. In het Johannes evangelie zegt Jezus tegen zijn moeder essentiële woorden. Vlak voordat Hij de geest zou geven geeft hij haar de plaats die zij moet hebben. De eerste onder allen. Zij heeft haar plek gekregen onder de mensen en zou de eerste zijn. En meteen treedt de dood bij hem in. Het punt lijkt gemaakt.
Maria, als de eerste in de nieuwe beweging. Zij is het die met de vrienden op weg gaat. Die getuigen zijn van de voltooiing van de woorden in de oude geschriften. Zij weten dit leven van Jezus is volbracht maar het gaat door. Na Goede Vrijdag komt Pasen en 50 dagen na Pasen komt Pinksteren. De Geest daalt neer, ze zijn getuigen van het nieuwe woord, van het eeuwige woord. Zij blijven spreken over dat verbond van God met mensen, dat wij geschreven staan in de palm van zijn hand. Dat wij mensen geschapen zijn naar Zijn beeld en gelijkenis. Dat er geen onderscheid is tussen man en vrouw, geen voorkeur voor huidskleur, er geen afwijkende geaardheid is.
Dat wij allen kinderen van die ene God zijn.
Dat is wat Maria met de vrienden ons wil vertellen. Kinderen van die ene God. Die God van liefde die met ons een eeuwig verbond heeft gesloten.
En dan maken wij als kerk die vrouw Maria niet zo groot. In vele gevallen krijgt ze maar een kapel, of een nis aan de zijkant met een beeld. Maria in het wit met iets lichts blauw. Nou niet direct een stoere vrouw, meer één van de zijkant.
Maar die vrouw is voor ons mensen wel te vinden. We steken graag een kaarsje bij haar aan. Hier in de kerk of thuis. We spreken dat kleine gebed van haar: Wees gegroet.
Als God te groot is of Jezus te ver weg kunnen wij altijd tot haar bidden. Want zij is als een Moeder. Onvoorwaardelijk aanwezig voor haar kinderen. Altijd thuis, altijd een hart voor een ander.
Norbertus in zijn tijd had oog voor Maria, maakte haar de Koningin van de orde. De mede broeders uit Hongarije dragen een licht blauwe singel ter ere van Maria, wij hebben onze eigen Mariakerk. Tijdens de lockdown was onze kerk op zondagochtend open voor individueel gebed. Prachtig was het om te zien als we de kerk sloten na een uur openstelling. Een vlammenzee in de nis bij Maria. Licht en Warmte steeg op, was voelbaar. Duidelijk een teken van verbondenheid van mens tot mens, van kind tot moeder, van moeder tot kind.
Wij gelovige mensen weten dat wij gekend zijn bij die God van mensen, weten dat wij gekend zijn bij haar die het leven heeft gegeven. Dat de Vrienden van Jezus ons voorbeeld mogen zijn om klaar te zijn voor die wereld van vandaag.
Amen.
Jan Claassen, participant Norbertijnen

