25 april 2021: 4e Zondag van Pasen, Roepingenzondag

Handelingen 4,8-12 en Johannes 10,11-18, B-Jaar

VERKONDIGING

“Want mijn Herder is de Heer, Nooit zal er mij iets ontbreken.”

Beste Zusters en Broeders in Jezus Christus,

Op deze Roepingenzondag zegt Jezus: “Ik ben de goede Herder.”
Jesus geeft als goede Herder zijn leven voor zijn schapen, Hij verdedigt ze tegen de wolf en tegen elke vorm van kwaad. Hij brengt de mensen die uiteengedreven zijn, die vreemden zijn geworden voor elkaar, weer samen.

Ik zal aan je denken en voor je bidden. Dat is een belofte die mensen elkaar wel eens geven wanneer iemand een operatie moet ondergaan of een moeilijk gesprek gaat voeren of besmet is met Covid19.
Denk maar aan de mensen op zee, zegt een moeder tegen haar kind als het heel erg stormt. Zo leidt zij de aandacht voor de eigen angst af en richt zij het medeleven op anderen. Het is iets moois als wij aan anderen denken. De ander schiet er niet zo veel mee op, maar het is toch een bijzonder soort verbondenheid.

Zo kunnen wij ons geloof ook verbinden met menselijkheid. Wij denken niet alleen aan anderen, wij kunnen ook, voor andere mensen bidden. Als wij onze aandacht richten op anderen, verliezen wij heel veel van onze eigen angst. Er is altijd wel een stem die ons roept, een mens die onze aandacht vraagt, ogen die ons verwachtingsvol aankijken. Op al die momenten treedt ons geloof in werking. Ons geloof is als een dynamo. Het is een mooi ding, maar hij zorgt pas voor licht als hij gaat draaien.
Wij kunnen nog zo’n mooi geloof hebben, pas als wij geroepen worden en ingaan op die roepstem, zal de kracht van ons geloof blijken. Dan gaat het licht geven. Daarom worden in de bijbelse verhalen mensen geroepen. Het kan een stem zijn in hun binnenste, een engel die op bezoek komt, het kan een profeet zijn of een bedelaar langs de weg. Alles blijft zoals het is. Allerlei misstanden kunnen blijven voortbestaan, allerlei vormen van eenzaamheid of opsluiting woekeren voort, totdat er geroepen wordt.

God breekt de sleur en de neergang. Hij roept de Israëlieten weg uit slavernij en splijt zeeën en rotsen. Hij roept de slimme David en de onzekere Samuël, Hij roept de protesterende Jona en de ontvankelijke Moeder Maria. Overal waar God roept komen mensen tot leven, gaan ze nieuwe wegen en gebeuren er wonderen. Mensen ontmoeten elkaar en zo treedt hun geloof in werking.

Jezus zet dit werk voort. Hij roept de leerlingen en ze gaan mee. Hij roept Zacheüs uit de boom en hij roept Lazarus uit het graf. Maar Jezus wordt zelf ook geroepen. De blinden en de kreupelen schreeuwen: ‘Jezus zoon van David heb medelijden met ons’, in de hoop dat er eindelijk redding komt.

Heel de Bijbel is een langgerekt verhaal over roepen en geroepen worden. Dat verhaal gaat maar door, want God roept nog steeds zoals een herder zijn schapen roept. Hij wil dat wij aandacht hebben voor elkaar en elkaar ontmoeten. Hij wil ons bij elkaar brengen zodat wij niet op de loop gaan voor angst, niet ten onder gaan aan zorg voor eigen behoud. Hij wil dat wij begaan zijn met gevangenen in de cel, met vluchtelingen in kampen, met kinderen zonder ouders enzovoort.
Je zou het onderling pastoraat kunnen noemen.

In de eerste lezing van vandaag ontmoeten Petrus en Johannes een man die vanaf zijn geboorte verlamd was. De man vraagt om een aalmoes. Maar Petrus geeft geen geld maar neemt hem bij de hand, trekt hem omhoog en de man kan staan en lopen. Hij is genezen. De man bedankt Petrus niet, maar hij bedankt God.
Iedereen is stomverbaasd over dit wonder. Petrus en Johannes worden ter verantwoording geroepen, want hoe hebben ze dat nu voor elkaar gekregen?
Petrus houdt een redevoering en zegt niet dat hij dat zelf heeft gedaan, maar dat dit wonder mogelijk was uit Naam van Jezus Christus.

Het gaat dus niet alleen om de ontelbare ontmoetingen die er tussen mensen plaatsvinden en om de lieve aandacht die mensen aan elkaar besteden, want die vinden zonder God ook wel plaats. Wij worden vandaag geroepen om te geloven in de kracht die van de naam Jezus Christus uitgaat. Hij roept ons met een stem die herkenbaar is en vertrouwen wekt. Hij brengt ons bij elkaar, want op eigen kracht lukt dat vaak niet. Door hem overwinnen wij de angst voor het onbekende, voor de vreemdeling. Hij kan onze terughoudendheid doorbreken. Hij steekt zijn hand uit om ons overeind te trekken en hij verlost ons van onze verlamming. Hij verdrijft de wolf die de schapen rooft en uiteenjaagt. De wolf van de jaloezie en de haat in onze samenleving.

Beste Zusters en Broeders in Jezus Christus,

Op deze Roepingenzondag worden wij allen geroepen om ons geloof met menselijkheid te verbinden, niet naar onze eigen maat, maar door Hem, met Hem en in Hem.
Wij worden kinderen van God genoemd en wij zijn het ook, zegt Johannes. Wij worden zo genoemd, omdat wij geroepen worden en die stem beantwoorden met een krachtdadig geloof.
In deze moeilijke tijd van angst voor corona zegt Jezus dat Hij onze Herder is en ons tegen alle kwaad zal beschermen en vraagt ons naar zijn woorden te luisteren.
Als wij zijn schapen blijven en naar zijn stem luisteren dan kunnen wij zingen:

“Want mijn Herder is de Heer, Nooit zal er mij iets ontbreken.”

Amen.

Arockiadoss o. praem.