Preek op de 4e Zondag van de Advent
Zondag 20 december 2020, jaar B
Door: prior Frank van Roermund o.praem.
Lezingen: 2 Samuel 7,1-5.8b-11.16; Romeinen 16,25-27; Lucas 1,26-38
Lucas neemt ons aan het begin van zijn evangelie mee naar het raakvlak tussen het Oude en het Nieuwe Verbond. Dit begin is namelijk gecomponeerd als een om beurten wisselend tweeluik van verhalen die Johannes de Doper en Jezus van Nazaret onlosmakelijk met elkaar verbinden. Johannes, de laatste en grootste onder de profeten van het Oude Verbond, en Jezus, de belichaming van het Nieuwe Verbond.
Het tweeluik begínt – direct voorafgaand aan de passage van zojuist – met een verhaal over Johannes. Vooralsnog wordt met geen woord gerept over Jezus. Dit is opmerkelijk, want van de vier evangelisten is Lucas de enige die niet al in de allereerste zin over Jezus spreekt. Hij opent dus met Johannes, met de aankondiging van zijn geboorte. Zacharias krijgt van de engel Gabriël te horen dat zijn vrouw Elisabeth hem een zoon zal schenken die hij Johannes moet noemen.
Dan neemt het verhaal een sprong in plaats en tijd. We bevinden ons – in de evangeliepassage van déze zondag – ineens héél ergens anders, in het afgelegen Galilea, in een onbeduidend dorpje Nazaret, ver weg van het voorname Jeruzalem. Diezelfde engel Gabriël nu bezoekt Maria met een soortgelijke boodschap: dat zij een zoon ter wereld zal brengen, Jezus, die “Zoon van de Allerhoogste” zal worden genoemd.
Twee aankondigingen dus, vlak na elkaar, met veel overeenkomsten, maar ook contrasten: De omgeving rondom Johannes is vanuit menselijk perspectief gezien voornaam: een priesterlijke familie, en de aankondiging van zijn geboorte vindt plaats in het heiligdom van de Heer, in de tempel van Jeruzalem. Jezus’ familie daarentegen komt uit een onbekend dorp in het minderwaardig geachte, half heidense Galilea. Niks geen heiligdom, niks geen opzienbarende taferelen bij de tempel. Alleen een jonge vrouw, Maria, die in alle beslotenheid in vollédige overgave aan God zich bereid verklaart het ónmogelijke aan haar te laten gebeuren.
In de passage die direct vólgt op die van vandaag komen beide verhalen bij elkaar: de intieme ontmoeting tussen Maria en Elisabeth. Het is het scharnier in het tweeluik: Jezus en Johannes – weliswaar nog ongeboren – ontmoeten elkaar dan voor het eerst. Het Oude en Nieuwe Verbond raken elkaar. ‘t Is fantastisch hoe in enkele woorden dit grandioze moment wordt uitgebeeld. Op Maria’s groet, en áángestoten door het kind in haar schoot, wordt Elisabeth het wonder gewaar dat aan Maria geschiedt: Vervuld van de heilige Geest roept zij uit: ‘Gij zijt gezegend onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot.’ Daarna zingt Maria het uit in het tedere, ontroerende en tegelijkertijd ook strijdvaardige Magnificat.
Twee wonderlijke aankondigingen van twee wonderlijke geboorten. Eenmaal volwassen zal Johannes Jezus aanwijzen als de langverwachte Messias. Met diens geboorte zal de door de profeten verwoorde Messiaanse droom definitief tot vervulling komen. Twee wonderlijke aankondigingen waaruit blijkt hoe verrassend God op ons toetreedt. Elisabeth en Zacharias, beiden oud en bedaagd, worden begenadigd met een zoon die later door Jezus de grootste onder de profeten zal worden genoemd. En Maria, een jonge maagd en nog ongehuwd, krijgt te horen dat zij – overschaduwd door de heilige Geest – de Messias zal baren…
God doet zich op verrassende wijze kennen in twee vrouwen, oud en jong, Elisabeth en Maria, die zich in volledig vertrouwen voor Hem openstellen. Niet in glamour en uiterlijk vertoon, maar in de intimiteit van gelovige, ontvankelijke harten.
Maria geloofde en ontving Gods woord in haar hart en in haar schoot. Ik vind dit prachtig verwoord in Maria’s ja-woord op haar roeping: ‘Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord’. Een kleine vier eeuwen later schrijft Augustinus hierover: ‘De maagd Maria heeft in alles de wil van de Vader volbracht, en wel omdat ze in volledige overgave geloofd heeft en dankzij dit geloof Christus heeft ontvangen.’ En ook: ‘Het betekende voor Maria méér om leerlinge van Christus te zijn dan om moeder van Hem geweest te zijn…’
In het moeder zijn van Christus kunnen wij Maria niet volgen. Wel in het leerling zijn en in het ontvankelijk zijn voor wat God met óns voorheeft. Mogen wij op het komende hoogfeest van Kerstmis – misschien wel méér dan andere jaren vanwege alle corona-leed nú! – in het hart geraakt worden door de geboorte van het tedere Kerstkind Jezus in onze vaak zo harde en tegelijkertijd óók – zo blijkt maar weer – kwetsbare samenleving…

