Preek op Allerzielen
Maandag 2 november 2020, jaar A
Door: abt Denis Hendrickx o.praem.
Lezingen: Openbaring 21,1-7; Lucas 23,44-24,6a
De woorden uit het boek van de Openbaring zijn bedoeld als een boodschap ter bemoediging in een moeilijke periode. En ook de evangeliewoorden van Lucas zijn ingegeven na een moeilijke periode van veel pijn en duisternis. Niet voor niets klinken deze teksten uitgerekend op deze dag dat we nadrukkelijk stilstaan bij onze overledenen. Met dit herdenken willen we laten weten dat onze overleden dierbaren met eigen mogelijkheden en kwaliteiten veelal geprobeerd hebben een leven te leiden naar het voorbeeld van jezus. Het is niet aan ons een oordeel te vellen over de mate waarin dat al dan niet gelukt is.
We vieren deze dag van Allerzielen daags na Allerheiligen. Deze twee dagen volgen op elkaar. En wel in die volgorde. Zou het misschien niet beter omgekeerd geweest zijn? Eerst overlijdt iemand. En daarna stellen we de vraag naar zijn of haar heiligheid. Niet voor niets zegt men nogal eens: plaats niemand op een voetstuk voor hij dood is. En dan nog: neem best wat tijd voor je overgaat naar een heiligverklaring. Het is blijkbaar omgekeerd. Hoe het ook zij, in ieder geval gaat het in beide gevallen op de een of andere manier over leven en dood. En voor veel mensen krijgen die twee in deze coronatijd toch een bijzondere invulling.
Dit jaar hebben veel nabestaanden onder moeilijke omstandigheden afscheid moeten nemen van een overleden dierbare. Veilige afstand vanwege een onzichtbaar virus belemmerde persoonlijke nabijheid op momenten waarop we die nabijheid zo nodig hebben. Het virus is nog steeds onder ons; de beperkingen hinderen ons zelfs in deze dagen weer in sterkere mate dan in de zomerse periode toen er sprake was van enige verlichting.
Telkens weer – en dat geldt zeker in deze tijd met het kwalijke virus – moeten we ervaren dat de dood meedogenloos is en geen rekening houdt met leeftijd en onmisbaarheid, afkomst of geloof. En ook zijn de vragen niet veranderd, ook wij vragen: waar zijn onze doden? Op welke plek kan ik ze ontmoeten? Wij mensen wij nemen vaak niet de tijd om bezig te zijn met het antwoord op deze vragen. Daar komt bij dat we zelf de dood verbannen hebben naar de marge van onze levens. Tot het moment dat we er indringend mee worden geconfronteerd, willen we er het liefst verre van blijven. De dood van een dierbare lieve naaste zet ons met beide benen op de grond en confronteert ons met het gegeven dat leven en dood bij elkaar horen. Als we er uiteindelijk niet langer omheen kunnen en de dood komt in ons leven, zoeken we twijfelend, stamelend naar woorden. En de woorden zijn op wanneer de dood onszelf overkomt. En als erin dit verband iets ook maar moeilijk of helemaal niet onder woorden te brengen is, dan is het liefde. Net als bij de dood, raken we in verwarring, spreken we stamelend, zoeken we naar woorden die vervolgens de lading niet dekken, blozen we op onze wangen en vatten uiteindelijk al die ervaringen samen in ‘ik hou van je’. Waarmee je alles en tegelijk niets zegt. Maar dat ‘ik hou van je ‘ kan wel bestendig blijven tegen de tijd, tegen de levenschaos, tegen de sleur. Ook tegen de dood?
Verdriet om het gemis van iemand die je hebt moeten loslaten mag vandaag misschien ook enige verlichting krijgen door verbondenheid met zovelen op zo’n bijzondere dag als vandaag. Mensen met verlies: we mogen weten dat er veel meer mensen zijn die hetzelfde ervaren. Maar ook mogen we weten dat het verdriet niet weggepoetst hoeft te worden. Als we voor en met elkaar de vraag stellen wat we kunnen doen voor de doden dan hoort daar een vervolg vraag bij: wat kunnen we voor elkaar doen als de dood zich aandient. Hoe houden we elkaar vast in tijden dat we elkaar niet vast kunnen houden. De regelvader van ons Norbertijnen – Augustinus – zegt daarover in een preek ter nagedachtenis aan de doden: ‘Laten wij dan troost zoeken bij elkaar. Het is beter dat het hart genezen wordt van zijn verdriet door te treuren, dan dat het onmenselijk wordt door niet te treuren’.
Alleen God komt het toe uiteindelijk alle tranen af te wissen, opdat hij ons allen zal opwekken tot nieuw leven. Van deze God wordt gezongen: alle namen staan geschreven in zijn hand. Daarom is het goed vandaag alle namen van onze overledenen hardop te noemen zodat we met elkaar uiting geven van ons vertrouwen dat deze namen bij God bewaard worden.

