Preek op de 18e Zondag door het jaar
Zondag 2 augustus 2020, jaar A
Door: prior Frank van Roermund o.praem.
Lezingen: Jesaja 55,1-3; Romeinen 8,35.37-39; Matteüs 14,13-21
Hoe bekender het Bijbelverhaal, hoe lastiger het vaak is om erover te preken. Je hebt snel de neiging te denken: ‘Dat verhaal ken ik nu wel’, en vervolgens sta je niet werkelijk meer open voor wat de tekst je te zeggen heeft, telkens wanneer je die hoort of leest.
Voor de verandering ben ik daarom eens wat langer blijven stilstaan bij de allereerste drie zinnen, dus nog vóór het hoofdonderwerp van de wonderbare broodvermenigvuldiging wordt aangeraakt: ‘In die tijd’ – of eigenlijk staat er – ‘Op dit bericht voer Jezus in een boot naar een eenzame plek om daar alleen te zijn’. Zo begint het. Wat was dat voor bericht? Waarom wil Jezus alleen zijn? Wel, Jezus heeft zojuist te horen gekregen dat zijn neef Johannes de Doper in opdracht van Herodes is onthoofd. Met dit soort gruwelen worden wij overigens ook in onze tijd geconfronteerd! U weet waarop ik doel… Wij kunnen ons, denk ik, daarom enigszins inleven in hoe Jezus zich moet hebben gevoeld. Uit het veld geslagen, beroerd, emotioneel geknakt, intens verdrietig en misschien van binnen ook woedend… Heel begrijpelijk dus, dat Hij zich even wil terugtrekken op een eenzame plek, in stilte, om zich te hervinden, om in gebed éven alleen te zijn met God zijn Vader. En dan komt het: ‘Het volk kwam dit te weten en zij gingen Hem vanuit hun steden te voet achterna’. Ja, inderdaad: die eenzame plek zou al gauw niet eenzaam meer zijn. Zij weten niets van dat vreselijke bericht, hebben geen flauw benul van wat er aan de hand is, waaróm Jezus de stilte zoekt. Zonder zich dit af te vragen – zo stel ik me voor – dringen zij zich aan Hem op. Weg eenzaamheid. Weg stilte. Weg moment van gebed en bezinning… De meesten onder ons zouden in zo’n geval geïrriteerd reageren, zo van: ‘Laat me nu éven met rust, ik heb nu andere dingen aan m’n hoofd’. Jezus daarentegen reageert niet bits of afwijzend, maar voelt zich – als altijd – innig met hen verbonden, heeft medelijden met hen en staat hen bij in hun noden. Hij cijfert zichzelf weg om góed te doen, zélfs nu, nu Hij het eigenlijk even niet aankan.
Wat hier verteld wordt in die eerste zinnen blijkt – als we met een frisse blik kijken – al zó rijk van inhoud, dat het ronduit zonde zou zijn hieraan achteloos voorbij te gaan. Jezus leert ons hier dat we ons nooit van onze naasten mogen afkeren, dat we in elk geval altijd moeten probéren ons beschikbaar te stellen voor wie een beroep op ons doet, zélfs wanneer het ons volstrekt niet uitkomt…
Voor mij als religieus, als priester ook, zie dit als één van de concrete, eigentijdse implicaties van de gelofte van gehoorzaamheid: gehoorzaam zijn aan de roep voor wie mij nodig heeft. Dit kan een medebroeder zijn, of, collectief gezien, de gemeenschap waarvan ik deel uitmaak, of een vriend of familielid of eigenlijk willekeurig wie. Beschikbaar zijn is niet altijd gemakkelijk. Iedereen heeft de neiging – ook ik – om zijn eigen plan te willen trekken. Beschikbaar zijn zoals Jezus dat voorleeft lijkt daarom een welhaast onhaalbaar doel. En tóch is het de moeite waard om het te blijven proberen en erin te groeien. Het blijft een leerproces, een leven lang.
Als we nu verder lezen, zien we dat Jezus die houding van onvoorwaardelijke beschikbaarheid ook van zijn leerlingen verwacht. De leerlingen willen dat Jezus het volk wegstuurt, omdat zij – begrijpelijk – problemen voorzien. Zij voelen zich niet verantwoordelijk of willen zich niet verantwoordelijk voelen voor die menigte mensen die zich in de nesten werkt. Maar Jezus wil anders. Hij zegt: ‘Geeft gij hun maar te eten’. En daar sta je dan, met lege handen.
De beweging, de dynamiek die nu ontstaat is heel interessant. Het volk brengt zijn gaven – de vijf broden en de twee vissen – naar de leerlingen. De leerlingen brengen die naar Jezus. Jezus spreekt er de zegen over uit, breekt de gaven, en geeft die vervolgens weer terug aan de leerlingen om ze uit te delen aan het volk. Dus: van het volk naar de leerlingen, van de leerlingen naar Jezus; en weer terug: van Jezus naar de leerlingen, en van de leerlingen naar het volk. De beweging héén is slechts karig: slechts vijf broden en twee vissen. De beweging terúg daarentegen is overvloedig: ‘allen aten tot ze verzadigd waren’. Onder Jezus’ handen worden de bescheiden gaven van het volk kennelijk wonderbaarlijk vermenigvuldigd, en vervolgens overvloedig terug geschonken.
Hier ligt onmiskenbaar een parallel met de eucharistie: het weinige dat wij aanbieden, brood en wijn, wordt ons overvloedig door God terug geschonken in de zelfgave – telkens opnieuw – van zijn Zoon Jezus Christus. Met de wonderbare broodvermenigvuldiging stelt Jezus dus een teken dat veel verder reikt dan het direct zichtbare: door het weinige wát wij hebben met elkaar te delen, ontvangen wij van God in overvloed.
Ik denk dat wat het evangelie ons vandaag leert over Jezus en zijn leerlingen ook óns aangaat. Jezus stelt zich onvoorwaardelijk beschikbaar voor eenieder die zich tot Hem wendt. Omdat Hij dit doet, kan Hij dit ook van zijn leerlingen verlangen, en dus ook van ons: ‘Geeft gij hun maar te eten’. En dan gaat het natuurlijk niet alleen om eten, maar in het algemeen om zorg voor elkaar, ook al staan we vaak – denken we – met lege handen. Onze mogelijkheden zijn vaak wat onbeholpen en beperkt. Maar tóch: door te geven wát wij hebben, kan veel goeds worden gedaan, vaak meer dan we denken. Dat kan een klein gebaar zijn, een bemoedigend woord of een simpel kaartje.
Ieder van ons kan dus binnen zijn of haar mogelijkheden bijdragen aan het geluk van anderen, door het stellen van vaak kleine daden. Soms brengt dat iets groots teweeg, iets dat ónze macht te boven gaat. Misschien zijn dit bij uitstek de bouwstenen voor dat Rijk van God dat niet alleen op het einde der tijden, maar nú al, midden onder ons gestalte krijgt.

