29 en 30 juni 2019: 13e Zondag door het jaar
1 Koningen 19,16b.19-21 en Lucas 9,51-62
VERKONDIGING
Zomaar een beeld dat bij me opkwam naar aanleiding van de lezingen van vandaag: je bent op een feestje, en op zeker moment komt één van de gasten aanlopen met een jas, hangt die om de schouders van zijn/haar partner. Een stille wenk, zonder woorden: ‘Kom schat, het is al laat, we gaan weer eens op huis aan.’ De ander sputtert eerst nog wat tegen: ‘het is gezellig, we kunnen toch nog wel even blijven’, ‘het is weekend we hoeven morgen niet vroeg op’, enzovoort. Maar al snel zijn ze, alle tegenwerpingen ten spijt, vertrokken. Herkent u dat beeld? Volgens mij hebben we het allemaal wel eens ooit gezien of meegemaakt. Het is een eigentijdse echo van het roepingsverhaal van Elisa: je wordt geroepen iets te doen, maar moet daarvoor je vertrouwde leven achter je laten; je moet uit je comfort zone, zeggen we tegenwoordig.
Vandaag hoorden we twee lezingen, die we misschien niet meteen helemaal goed kunnen plaatsen. Verhalen over roeping en ommekeer – die twee worden in de Bijbel vaak in één adem genoemd – met een scherp randje. Een randje dat een beetje schuurt en snijdt in onze ziel. Verstaan wij die oude teksten eigenlijk nog wel? Onze wereld en manieren zijn immers zó anders dan de plaats en tijd waarin deze verhalen speelden. Wij hier in het rijke Westen, leven niet meer in een wereld waarin we dagelijks strijd leveren om het bestaan, waarin we letterlijk de hand aan de ploeg moeten slaan om in ons levensonderhoud te voorzien, waarin we al rondtrekkend afhankelijk zijn van de gastvrijheid van anderen; daar en toen de harde orde van de dag.
Elia roept Elisa weg uit zijn comfort zone: hij wordt geroepen zijn familie en vrienden, het land dat hij bewerkt om voedsel te produceren, onmiddellijk in de steek te laten. Een kort moment van twijfel, eerst afscheid nemen, kan dat nog? Door het slachten en klaarmaken van zijn span ossen, waarvan hij het vlees aan zijn knechten te eten geeft, neemt hij afscheid van zijn oude vertrouwde bestaan. Hij geeft gehoor aan zijn roeping: navolger en opvolger worden van Elia, om Gods stem in deze wereld te zijn. Een radicale keuze, een drastische ommekeer in Elisa’s leven.
Ook de lezing uit Lucas is nogal confronterend. Allereerst de oproep van Jakobus en Johannes, die hun bijnaam ‘Zonen van de donder’ eer aandoen door te suggereren vuur uit de hemel af te smeken over de Samaritanen, die Jezus en zijn gevolg niet willen ontvangen. Saillant detail: ooit, lang vóór hun tijd, deed precies de profeet Elia dat bij de boden van de koning van Samaria, toen deze zich had afgekeerd van de God van Israël. Maar Jezus aarzelt geen moment en wijst ze scherp terecht: dat was toen, maar nu gaan we het anders doen; niet vergelding maar liefde zal voortaan leidend zijn.
En dan nog Jezus’ reacties op degenen die hem willen volgen, of die twijfelen als ze door hem geroepen worden. De een wijst hij erop dat hij zich niet realiseert wat hij zegt: alles opgeven om Jezus te volgen, is kiezen voor een onzeker bestaan: ‘s ochtends niet weten waar je ‘s avonds zult slapen, nog geen steen om je hoofd op te leggen. En wie aarzelt omdat hij eerst een dierbare dode wil begraven of thuis afscheid wil nemen, lijkt ook op weinig begrip te kunnen rekenen. Wat bezielt Jezus om zo hard en scherp te oordelen? Moeten we onze doden of onze familie zomaar achterlaten? Is het niet meer nodig te werken voor ons dagelijks voedsel? Moeten we niet meer naar elkaar omzien? Wat wil Jezus ons eigenlijk zeggen?
Volgens mij wil hij niet dat we onze plichten verzaken, niet meer omzien naar wie ons lief zijn, integendeel: liefde voor de naaste vormt een belangrijk deel van Jezus’ programma. Maar, en daar doelt hij denk ik op met zijn woorden van vandaag, onze dagelijkse beslommeringen moeten ons niet afhouden van het grotere doel: meebouwen aan het koninkrijk van God in deze wereld. Dat is de weg die naar het leven leidt. Wie daarvoor niet kiest is op een doodlopende weg, is zelf als een dode – laat hij zich maar bezighouden met die andere ‘doden’; wie geroepen is heeft andere dingen aan zijn hoofd. Met andere woorden: wie ploegt en steeds omkijkt, ziet wel de voor die hij geploegd heeft, maar vergeet vóóruit te kijken, naar de toekomst die komend is, dat rijk van God waar vrede en gerechtigheid zullen heersen. ‘Waar brood en liefde is, genoeg voor allen’ schrijft Huub Oosterhuis. Om dat tot stand te brengen moet hard worden gewerkt, zodat het woord van God in goede aarde valt en kan groeien in mensen.
Aan ons de vraag of wij, door ons doen en laten, mee willen werken om dat visioen van een nieuwe wereld wáár te laten worden. Als je daarvoor kiest, laat dan niets je ervan weerhouden om die lange weg te gaan. Dat is wat Jezus ons vraagt. Niet dralen, niet omzien, maar vóóruit, op weg naar die toekomst. Het is geen gemakkelijke weg, maar als we met velen zijn, kunnen we samen waarmaken waartoe we geroepen zijn: dat koninkrijk van God op aarde.
Moge het zo zijn.
Arthur van Tongeren, gastpredikant

