26 en 27 oktober 2019: 30e Zondag door het jaar

Sirach 35,12-14,16-18 en Lucas 19,9-14, C-Jaar

VERKONDIGING

Beste Zusters en Broeders in Jezus Christus,

In een semenarie, een opleidingscentrum voor priesters, waren 10 priesterstudenten. Een van de 10 is niet eerlijk en steelt spullen van andere studenten in het semenarie.
De eerste keer werd het hem vergeven. Ook de tweede en de derde keer krijgt hij vergiffenis voor hetzelfde gedrag van zijn medestudenten en hun magister, hun leermeester.
Hij ging door met stelen voor de vierde keer. De magister wilde hem deze keer ook weer vergeven maar de andere negen medestudenten protesteerden en zeiden: “Hij moet weggestuurd worden van het semenarie of wij allen gaan weg”. De magister antwoordde: “Jullie mogen weggaan omdat jullie allen weten wat goed en slecht is en weten wat te doen en niet te doen en daarom gemakkelijk een goed leven kunt opbouwen buiten het semenarie maar hij weet dit niet en daarom laat ik hem hier blijven tot hij weet wat goed en slecht is.”

In de Evangelie lezing van vandaag schetst Jezus in een gelijkenis hoe een Farizeeër en een Tollenaar bidden in de kerk.
De Farizeeër bidt: God, ik ben niet als de andere mensen, die roofzuchtig, onrechtvaardig en overspelig zijn. Ik vast tweemaal per week en draag een tiende van al mijn inkomsten af.
Ik ben ook niet als die Tollenaar, de zondaar die daar bidt.
Hij roemt zijn zelfgenoegzaamheid, somt zijn deugden op. Hij schrijft zijn goede gedrag niet toe aan de genade van God, maar aan zijn eigen gerechtigheid. Hij is hoogmoedig en is iemand die dik tevreden is met zichzelf. De Farizeeër vergelijkt zich met anderen. Hij draait alles rond zijn eigen ik: “ik doe dit en ik doe dat’’. Hij veracht zijn medemensen. Hij klaagt meer dan dat hij bidt.
Het gebed van de Tollenaar is kort. Hij vergelijkt zich niet met een ander. Hij noemt zichzelf een zondaar. Nederigheid, boetvaardigheid en vertrouwen kenmerken zijn gebed. Hij weet dat bekering altijd mogelijk is en dat God genadig is. Hij vraagt en bidt.

Jezus concludeert dat de bescheiden Tollenaar gerechtvaardigd naar huis ging, De Farizeeër heeft niets aan God gevraagd en heeft derhalve niets ontvangen en gaat met lege handen terug zoals hij gekomen is.
God accepteert in deze gelijkenis de Tollenaar omdat deze zich niet durft te vergelijken met een ander en hij de ander accepteert zoals hij of zij is. Hij heeft er spijt van dat hij zijn medemensen heeft benadeeld.

God accepteert de Farizeeër niet omdat hij die Tollenaar en medemensen niet accepteert, omdat hij een slechte relatie niet wil herstellen, vanwege de minachting die hij koestert met betrekking tot zijn medemensen.
Omdat zij, de Farizeeën, wel deugen, en de anderen niet, menen ze recht te hebben op beloning van Godswege. Maar … zo is het niet: God beloont geen prestaties en Zijn liefde kun je niet kopen.
Dat voelt de Tollenaar veel beter aan. Hij kent zichzelf en bidt heel bescheiden om Gods barmhartigheid. Het gebed van de arme mensen dringt door de wolken heen, lezen wij in de eerste lezing van vandaag.

God, die alleen de goede relaties met onze medemensen telt. De Tollenaar weet zich veel te schuldig voor God. Het enige wat hij eerlijkerwijze kan doen is hopen op een genadige God, daarom slechts deze vijf woorden: “God, wees mij, zondaar, genadig.” Dit gebed is echt, hij heeft God werkelijk nodig.
De Tollenaar daarentegen was enkel ontvankelijkheid voor God en deze houding is in Gods ogen veel waardevoller.

Maar … zo gemakkelijk is het nu ook weer niet, het gaat hier niet om twee categorieën van mensen, maar om twee levenshoudingen die in een en dezelfde mens terug te vinden zijn. En … ook wij als wij eerlijk zijn, moeten bekennen dat wij van beide figuren wel iets in ons meedragen. Voor onszelf, diep in ons hart, zijn we misschien meestal de Tollenaar, maar voor de buitenwereld spelen we vaak ook de rol van Farizeeër. Wij beroemen ons op onszelf, hebben God nauwelijks nodig en kijken minachtend neer op de anderen.

De vraag is voor ons is nu: op welke manier bidden wij? Wie zijn wij in deze gelijkenis: de Farizeeër? of de Tollenaar?
Bidden wij zoals de Farizeeër, hoogmoedig of zoals de Tollenaar, nederig?
Klagen over en vergelijken met andere mensen zoals de Farizeeër of vragen om Gods genade zoals de Tollenaar doet?

Vandaag vragen de lezingen ons in ons bidden bescheiden te blijven en te vragen om Gods Genade. Als je gaat bidden, weet dan dat de Heer met liefde naar jou kijkt. Hij ziet wat er in je hart leeft aan goede verlangens, aan echt geloof, aan oprechte liefde. Hij ziet ook je nood en je verdriet. Vertrouw alles aan Hem toe.

Beste Zusters en Broeders in Jezus Christus,
In het verhaal van de tien seminaristen, waarmee ik de preek begonnen ben en in de gelijkenis in het evangelie werden de zondaars geaccepteerd en hun zonden vergeven door de genade van God.

Vanuit de bijbel kennen we meer zondaars die genade van God krijgen, zoals Mozes, de moodenaar, Zacheus en Matheüs, beiden Tollenaars, Simon Petrus, de verloochenaar.
Wij lezen in Mt 9 vers 12-13: “Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieken wel.” “Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar Zondaars.”

Met deze woorden maakt God duidelijk dat God er is voor degenen die bidden en vragen voor zijn genade. God is voor de zwakken in de samenleving, God is voor de nederige en bescheiden mensen, God is voor degenen die respect tonen voor de medemensen.
Laten wij ook leren bescheiden te bidden en zo Gods genade te ontvangen.
Amen.

Arockiadoss B. o.praem